Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C »4 )
Letje zat op haar moeders fchoot ook een krakeling
te eten en was nu in een' zeer goeden luim geraakt,
Tusfchen beide floeg zij nog wel eens een' fchuinfchen
blik op üiaantje, maar, d'aar de lieer het kind uit
zijn trommel een kaakje toereikte, verloor zij ook hoe
lang^.'r hoe meer hare opmerking op het dier, dat met
braniend ongeduld zijn meester om een klein ftukje
brood aan zat te ftaren. De vrouw kon niet nalaten ,
om daarop hare aanmerking te maken , en was zoo
vrij, den Heer ♦♦te vragenj waarom of het arme
beesije geen eten kreeg?
Dat zit daar, zeide zijn Heer, tot zijn penitentie,
en hij zal het heel wel uithouden tot dat wij te Uireeht
zijn. Hij weet zeer wel, dat hij zoo niet keffen mag,
als hij gedaan heeft.
De Burgervrouw. Letje, Mijnheer! is veel
ftouter en ongehoorzamer geweest, dan uw hondje, en
die hebt g'j wel een kcakje gegeven. {Tegen letjè..)
Dat hondje krijgt nu geen eten, omdat het ftraks zoo
geblaft heeft. Zie het arme beestje heeft zulk een
honger.
Nu nam let je een klein üukje van haar kaakje en
gooide het aan Diaantje toe, die evenwel zich riet ver-
Itoutte, om het op te zoeken, daar hij uit de oogen
van zijnen meester, en aan deszelfs hoofcilchudden , zag,
dat hij het niet mogt hebben.
Heden Ome ! zeide nu het kind: mag het hondje dat
brc'kie niet hebben?
Volllrekt niet, zeide de Heer ♦ ♦, of hij moet eerst
voor u opzitten, en het uit uw regterhand, na dat gij
tien geteld hebt, aannemen j anders moet hij honger
lijden.
Letje. Ik ben zoo bang, dat hij mij bijten zou...
anders... ande*...
De Heer. Dan moet bij maar honger lijden. Maar
als gij het hem tiit uw regterhandje wilt toereiken, ter-
wijl hij ordenlijk opzit, dan mag hij het hebben, en
anders voKlrekt niet. — Ondertusfchen liet de Heer^»
het hondje opzitten, om te zien, wat dit op let je
zou uitwerken.
Letje. Dat arme beestje! moeder, kijk , hij lijkt
wel te bidden... zou ik... zou ik...
De Burgervrouw. Als het Mijnbeer hebben wil;
De Heer. Ik heb haar vrijheid gegeven j maar niet
of