Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 20 :>
«r geheel niet tnee. Laat hem maar eens voortfpreken.
Ik wenschte van harte, dat gi] zoo bang niet waart.
bevalt mij niet, dat, als er bij dag een bui op
komt, de luiken voor de'glazen gedaan en er tweevieren-
kaarfen op moeten ; en dan zit gij zoo lang als de bui
duurt met uw vingers in de ooren, zoo dat uw kor-
iietje erger gehavend i5,i'an dat gij,de geheele bui door,
in den tuin gewandeld had. Hoor, Jufvrouw ! dat is
maar heel verkeerd, en ik zou haast zeggen,heel zon-
dig , ten mirsten heel zot en belagchelijk^
De Heer. Ja, Mijnheer! ik zou wel willen wed-
den , als het de Jufvrouw zich kan te binnen brengen ,
dat zij onder haar familie perfonen gehad heeft, die ook
bang voor het onweer waren.
Jufv. Stijntje. Mijnheer fprak daar van mij, als
het onweert; ja ik beken het, dat ik er bang voor
ben; ik fchaam het mij niet, want het is niet het werk
van menfchen: maar vsn god. Mijne overledene moe-
der was er nog wat banger voor. Die kroop altijd in
den kelder, en nam dan een ftoelkusfen mee, waarin
zij met haar hoofd voorover leggen ging, zoodat zij
van het weer niets kon zien of hooren.
De Heer. Het is voor mij opgelost, Mejuffrouw! waar-
bij u de vrees voor den donder vandaan komt. Gij hebt
die van uwe ontijdig bange moeder overgenomen. Maar
ik rade u, en allen, welken de vrees voor het onweer kwelt,
een boekje te lezen , door de Maatfchappij: Tot Nutyan
't Algemeen uitgegeven, getiteld: Zamenfpraken ovar tic oor-
zakm van het Onweder, enz. het kost flechtsdrie ftuivers.
Gij zult in dat boekje zien, hoe dwaas en kinderachtig
het is, om, als het dondert, zoo uitermate bevreesd te
zijn. Gij zult er het nut van dat Natuurverfchijnfel in
aangewezen zien, en hoe veel reden wij hebben deswege
dankbaar te wezen. Uit dezelfde oorzaak, als waar uit
waar uit l e t j e bang is voor honden, komt bij u de vrees
voor het onweder, en zoo is het ook met de vrees
voor Spinnekoppen , Muizen , Ratten , Kikvorfchen ,
en wat er van dien aard al meer is. Men maakt de
kinderen vroeg bang, voor die onfchadelijke beestjes,
en zij blijven het meestal 'geheel hun leven, zoo al niet
tot last van anderen, althans tot dien van zich zeiven.
De Oude Heer. Dat heb ik met een broer van
mij ondervonden; dien had de keukenmeid bang gemaakt
voor den donker, toen hij nog een kleine jongen was;
ik