Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 19 )
Turk aan huis, en dan fpeelde zij mét dJen lobbes $
trok hem bij zijn ftaart en zijne ooren,en wist er eeeii
Zier van. Ja nu komt me alles zoo te binnen. Eens
na dien tijd is mijn man zaliger nog eens met Turk aan
huis geweest; maar toen maakte let je zulk een ver-
fchrikkelijk leven, dat mij het huis te benaauwd viel,
en mijn goeije man niet wist, hoe hij zich gaauw ge-
noeg met Turk weg zou pakken.
De Heer. Lieve vrouw! de oorzaak van de angst
van uw kind is mij zoo klaar als de dag. Lw man heeft
zeker, zonder eenige kwade meening,zich die woorden
laten ontvallen: maar die woorden hebben juist een'bijna
onuitwisbaar diepen ïndrnk op het hart van uw kind
gemaakt, welke zij misfchien haar geheel leven niet vve.i
der kwijt zal worden. Alles, wat de ouders tegen de
kinderen zeggen, is van groot gewigt, en kinderen ver-
ftaan geheel geen gekfteken. Zij merken dikwijls veel
meer, en eerder iets op, dan wij'meenen en vermoeden.
Men moet met iefs te zeggen, met elkander te fpreken
en te doen, met, en in het bijzijn van kinderen, zeef
omzigtietig wezen. Uw let je meende zeker, dat uw'
man voorhad, om haar Turk als een boutje voor te wer-»
pen. Dit maakte op haar' geest, welke op die jaren zoo
week als was is,eenen diepen indruk; maar daarin ver*
fchilt des menfchen geest van was, dat hij de eerste in-
drukken heel lang behoudt. De ouders kunnen dus bij
hunne kinderen, zoodra het verftand maareenigzinsbegint
te ontluiken, ik zeg dit nog eens, niet voorzigtig genoeg
wezen, om zich bij de kinderen niet uit tè laten ovef
iets, dat hun teeder zielsgeftel kan aandoen, en mis-
fchien fchadelijke gevolgen bij hen hebben. Vandaar, dat
er ook zoo veele menfchen , levenslang, bang zijn voor het
onweder, dewijl er in vele huishoudens, bij burger lie-
den, eene groote beweging plaats heeft, als een don-
daibui, van eenige beteekenis, aan het werken is. Dan
vertelt men elkander, dat ood toornig is op de menfchen ,
ter -vijl hij juist een zijner grootfte zegeningen op hen uit-
Hort. Dan gaat men zitten bidden, en maakt allerhan-
de wanhopige gebaarden. Men fpreekt, dat de jongde
dag op handen is en zoo dergelijke ongerijmdheden meer.
Jufv. Stijntje, Met uw permisfie - Mijnheer! ik
ben ook als het onweert, heel bevreesd« en met onze
lieve Heers weer is ook niet te fpotten.
Oude Heer. Mejufvrouw stijntje I die Heerfpoc
Ba er