Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C ï8 )
clie men ben geeft; en ik geloof, dat het de helft met
de kinderen niet fcheelt.
De\Burgervrouw. Ja, Mijnbeer! neem me niet
kwalijk: de beste (tuurlui liaan altijd aan land. Ik zou
wel eens willen zien, dat gij, dien ik voor veel verflan-
diger houde, daji ik arme tloof ben, dat arme fchaap,
dat ik vrees, dat zich nog een breuk fchreeuwen zal,
dien angst voor honden ontnaamt.
Ue Heer. Hoor, vrouwtje! om dat zoo in eens te
doen,daartoe zou bijna een wcnderwerk noodig wezen,
want, naar dat ik merk zit er die angst at heel diep
in. En gij zeidet ftraks, dat gij niet wist, hoe het
kind er aan kwam. Als gij dat wist en mij het vertel-
len kondt, wie weet of ik u dan niet op den weg zou
kunnen helpen. Kunt gij u niet herinneren, dat er eens
het een of ander met uw kind en een hond gebeurd is,
of dat er iemand haar iets van wijs, of aaar voor bang,
heeft gemaakt.
De Burgervrouw. Nu,gij zegt zoo wat. Mijnheer!
ja , wel zoo iets: maar het is al jaar en dag geleden.
Letje was maar even derdehalfjaar. Ja, mijn man
zaliger leefde nog. Hij was Koetüer bij Mevrouw A....
en in ziin ftal was een heele groote hond, die Turk
heette. Nu gebeurde het eens op een ochtend, dat ik
met letje in de ftal kwam. M jnman,die heel mal met
LETjii was, nam haar op zijn arm; maar het kind,
zoo als kinderen zijn, had een gril, en wilde liever bij
mij blyven. Zij begon te fchreeuwen. Mijn man, die
wat korrelig van humeur was, verbood haar een,twee,
driemaal, maar te vergeefsch. Toen zeide hij, evenwel
half uit jokkernij, half-uit boosheid: wat let me, dat
ik zoo een ftoute meid aan Turk geef, die zal haar
dan wel opeten — en meteen begon Turk heel fel te
blaffen, en zij bleef zoo fchreeuwen , dat mijn man er
zelfs mee verlegen raakte, en ik het kind hardfchreeu-
wende na huis droeg; maar toen was het kind nog maar
even twee jaar en nu is het een meid van over de vijf
jaar oud, het zal toch daar van niet kunnen zijn?
De Heer. Zij zal toch federt dien tijd, als gij er acht
op gegeven hebt, altijd bang vnor honden geweest zijn.
De Burgervrouw. Ja, Mijnheer! als ik zoo alles
nagaa, ja, het is waar, fints dien tijd is zij altijd bang voor
honden geweest, en, zooveel ik weet, niet van te voren;
want m'yn mau zaliger kwam wel eens, voor dien tijd, met
Turk