Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
( ïr )
Oude Heer. Hoor je wel. Jufvrouw stijntje!
dat ik gelijk heb. Gij moet daarom die vrouw niet
zwaar vallen. Zij heefc last genoeg aan dat Ichreeu-
wende kind.
Jufv. Stijntje. Ik moet evenwel eens weten, waar-
om dat kind zoo fchreeuwt. Het is niet om uit te
houden. Zeg eens, JMoedertje! waarom fchreeuwt dat
kind zoo bijster ?
De Burgervrouw. (Tegen haar kind.') Zei je zwij-
gen, LETJE ! dat ik diu Jufvrouw taal en antwoord
geef? — Och! Jufvrouw! heb je die twee honden niet
gezien aan den Voetangel, die daar aan de ketiing zoo
verfchrikkelijk rond liepen en blaften ? Ik zelf was bij
den dood af van de fchiik, en LETfE (ik weet met
hoe het^koun) is zoo doodelijk bang voor honden, dat
ik dikwijls met haar heele flraten en grachten om
moet loopen, als zij m de verte maar een hond ziet
aankomen, Kn nu wilde zij niet in de Schuit, omdat
wij dan die honden weer voorbij moesten, en omdat
die Heer, die daar zit te lezen , een hondje bij zich
heeft, (en nu keek lbtje het hondje van dien Heer
aan, dat, evenwel, zeer vreedzaam aan ziine voeten
te flapen lag, en begon weder allerverfchrikkelijkst te
fchreeU'ven.)
De Heer (x'/« boek toe/Iaande). Het fpijt mij, vrouw I
dat dit vreedzaam en oiilchadelijk dier , dat nooit ie- •
mand kwaad doet, aan uw kind gelegenheid geeft, om
door haar gefchreeuvv de Pasfagiers te vervelen.
En nu werd het hondje wakker, waarfchijnelijk door
het hervat gefchreeuw in zijnen flaap geltoord; en het
Icheen, dat dit gefchreeuw bij hem den lust tot blalfen
gaande maakte, althans het begon, naar zijne vermo-
gens, hevig te blafF.--n, en het kind daartegen in harder
te fchreeuwen; hetwelk voor eenige oogenblikkei) een
zeer onaangenaam concert in de schuit gaf. Evenwel
het geblaf eindigde fpoedig, daar de gezegde Heer, op
eene nadrukkelijke wijze, ftilte aan zijn Dlaantje beval ,
•waarop het gehoorzaamde en tusfchen zijne beenen
onbeweeglijk zitten giiig.
Jufv. Stijntje. Uat ftomme dier is waarlijk zijn
meester gehoorzamer, dan het meisje aan hare moeder.
De Heer. Hij wee wel , liat als hij ongehoorzaam
is , het hem dan (lecht vergaat. Dat honden onge-
hoorzaam zijn is de fchuld van de flecate opvoeding
B die