Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET BLAFT WEL MAAR HET BIJT NIET.
o f
HET BANGMAKEN DER
KINDEREN.
s.
TWEEDE SCHUITPRAATJE.
De
'e fchuit lag nu aan de Herberg de Voetangel
gereed , om, nadat zich de Pasfagiers, elic naar
zijne verkiezing , verkwikt hadden , af te varen;
en bijna allen waren daarin reeds weder gezeten ,
op eene burgervrouw na, met een meisje van vijf of
zes jaren, dat zoo allergeweldigst fchreeuwde en gilde
als of her de ftuipen op het lijf had. Na herhaald ge-
roep van den Schipper en zijn' Knecht, dat naauwlijks
den boventoon boven het fchreeuwftertje kon krijgen,
kwam die vrouw met het kind aandragen , en flapte er
mede in de Schuit; doch het gefchreeuw bleef aanhouden,
tot groote verveling van alle de aanwezigen. Jufvrouw
stjjntje. ving weder het gefprek aan, en zeide tegen
den ouden Heer: O l Mijnheer! ik zal van dat ge-
fchreeuw nog pijn in het hoofd krijgen, 't Is lastig,
dat de lui met zulke kleine kinderen reizen.
Oude Heer. Maar, Jufvrouw stijntje! het kan
immers wel zijn , dat dat Vrouwtje niemand te huis heeft,
die dat kind kan oppasfen,en zij kan redenen van nood-
zake hebbeft, om uit de Stad te gaan. Ook is het kind
zoo verbazende klein niet. Tot den Voetangel toe,
moet het ook zoet, zeer zoet geweest zijn; althans
het heeft mij in mijn middagflaapje niet gehinderd.
Burgervrouw. Och , mijn goeje Heer ! gij raadt
het net. Ik heb niemand, die op mijn letje pasfen
kan. Ik ben een weduwvrouw, en woon met dit kjnd
op een bovenkamertje. Nu is mijne broör, die aan de
Kieuwerfluïs woont, onverwacht heel ziek geworden en
wil met alle geweld mij fpreken. Wat zou ik nu doen.
Te huis blijven kan ik niet, en mijn letje kon ik
ook niet alleen t'huis laten,
Ou-