Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
( >5 )
k^vnad in het vervolg te wachten; dat hij dikwijls bij
zich zelf herhale , hoe groot en fchandelijk het kwaad is,
dat bij bedreven heeft; dat hij,en dit geldt bij het vloe-
ken ook veel, zich voorftelle, hoe hij niets venigt,dan
in de tegenwoordigheid van het Opperwezen, en dat hij
welmeenendjvan tijd tot tijd,deszelfs bijlland affmeeke,
en gebruik make van de gelegenheden, die er overal
genoea voorhanden zijn bij de Pastoors en Predikanten,
om zich zeiven te onderzoeken, zijn verftand te ver-
lichten en zijn hart te verbeteren ; waarbij ook behoort,
dat hij bedenke, dat verltandige en zedige meiifchen
hem, wegens zijne dwaze hebbelijkheden eerst beklagen
en ten laatlten moeten verachten.
jufv. Stijntje. Wel, Mijnheer! ik had niet ge-
dacht, dat gij ons zoo veel te zeggen zoudt hebben,
toen gij daar zoo (lil in uw boek zat te kijken; het
fpijt mij maar, dat mijn oude Heer juist zijn middag-
flaapje gehad heeft.
De Heer. Hij zal waarfchijnlijk meer nut van zijn
middagflaapje gehad hebben, dan van mijn discours,
daar het niet anders,dan zakeu behelst,welke iedereen,
die over pligt en zedekunde ooit heeft nagedacht, te
over bekend zijn. Kunt gij er, Mejufvrouw! al geen
onmiddelijk nut voor u zeiven uit trekken; bedenk dan ,
dat uwe gebreken misfchien maar van eene andere foort
zijn, als die van de twee ruwe varensgezellen, en dat
men best doet zich met een anders tuin niet te moei-
jen, züo lang er in onzen eigen zoo veel te wieden
valt. — Maar ik zie, wij zijn aan den Voetangel. —
Door het praten is mijn keel waarlijk droo? geworden.
Laat ons, ten aanzien van het vloeken, belliiiten t Uct
ftaat altijd lelijky en is, op zijn best genotr.m, belagchelijk.
liET