Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 14 )
delooze Heertjes in tle Manegie en aan de Biljardtafel
in de Sud ken) u zult verbeelden j dat er iets held-
haftigs, iets mannelijks, in het vloeken gelegen is.
De Boer. Neen! mannelijk üaat het niet, want
onze TRUI, de maid uit de herberg, kan vloeken als
de beste dragonder; maar dat ftaat foei lelijk aan een
vrouwsperfuon; ja, als mijn t r ij n vloekte, wel ik zou
onzen pastoor verzoeken, dat hij ze rais ter deeg on-
der handen nam.
De Heer. Het vloeken ftaat zeker aan de vrouwen
zeer lelijk, omdat men van haar, over het algemeen,
eene mindere ruwheid fchijnt te verwachten dan van de
mannen. Maar, Huisman! het is er naar mijn gedachten
ook verre af, dat de ruwheid aan een' man fierïijk zou (taan.
De Boer. Nou, Menheer! wat dat aangaat, dat
kan ik ook niet zeggen. Maar nog iets moet ik je vra-
gen : Ik maak wel rais gebruik van vloeken om de
waarheid van een ding te verzekeren, en dan verbeeld
ik mè, dat men mijn veeleer gelooft. Als ik, bij voor-
beeld zeg: die Koe weegt, bij men arme ziel', acht of
negen honderd pond, of, ik mag fterven als 't niet
waar is, of, altemets nog wel wat erger, althans zoo
he leiie of 't aire; ja, dan gelooven ze me beter, as
dat ik het zoo maar enkel zeg.
De Heer. Nog eer, vrind! dan als gij uw arme
ziel, of iets diergelijks, buiten het fpel laat? Och neen!
Gij hebt mis. Hoor, als gij waarheid fpreekt, en dat
moet gij doen ,of gij zijt geen braaf man, dan zal men
u zonder dat vloeken en zweren wel gelooven, veel meer
dan als men gewoon raakt, dat gij er die bevestigingen
bijvoegt, en gebruikt om uwe naasten te bedriegen,en
men dat fomtijds, of misfchien te dikwijls, ontdekt.
Maar gij komt mij daartoe een te hupfche kaerel voor.
De Boer. Je hebt, waarentig gelijk. Menheer!
En om dat ik dat zoo begrijp, zoo wil ik ook mijn
best doen, ooa dat vloeken en zweren of te wennen.
Maar 't zou toch kunnen gebeuren, als ik kwaad, regt
kwaad wierd, dat ik alles wat Menheer er ons nou
van gezegd heit vergat, en dat ik uitbulderde , als
een bezetene, want dan moet ik me lucht geven. Wat
raad dan, Menheer ?
De Heer. Ik weet in het geheel geen beter raad
voor iemand, die aan eenige hebbelijkheid gewend is, dan
dat hij een vast voornemen opvatte,om zich voor zulk
kwaad