Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
. /y^
( 13 :>
teugenfpreken Maar wat zal ilc zeggen: als ik nou
in de hirberg zondags zoo onder men maats zit en
ik fmijt er dan niet zoo een enkel woordje van deeg
onder, dan zeilen ze zeggen, dat ik faln geworden bin;
en oien volk, dat zal, wed ik, me zijn doove oor toe
fteken, als ik er niet nou en dan zoo een«, em em, je
weet wel, onder gooi.
De Heer. Hoor, man! jij praat er heel hupsch
over, en je hebt mij wel begrepen. Wat dat uitfcheL
den voor lijn, enz. betreft, onder uwe vrinden, in de
herberg, als zij zien, dat je even vrolijk en opgeruimd
blijft, zoo als je me voorkomt, en geen ki,oopen in
biezen zoekt, dan zullen ze heel gaauw merken ,
dat jij het vloeken nalaat — en , bedenk eens,
wat fchande zou het zijn, als zij eens van u zeiden :
Hij heeft opgehouden met te vloeken. Een enkele gek
of kwast mögt daar de fchouders over ophalen, maar
het is een eer van gekken en kwasten uitgelagchen te
worden. — Maar grooter lijkt de zwarigheid, dat gij,
als gij het vloeken nalaat, van uw werkvolk niet vlug
genoeg zult gehoorzaamd,en dus uwe zaken verachterd
worden. Maar, als gij voor de nalatigen nu eens een
of ander ftrafmiddel in minder loon , en voor de vlijti-
gen eene aanfporing door meerder loon uitdacht? want,
mijn vriend! gij zuit het ook wel ondervonden hebben,
dat het vloeken een zeer flecht en onteerend middel is,
en dat het volk, door den tijd daar aan gewoon geworden,
om het gebulder en het gevloek van een baas of
meester zoo weinig geeft, als om het geblaf of geknor
van een hond, waaraan zij gewoon zijn. En dit zelfde
is het geval met uwe paarden: de lange haver zal meer
afdoen dan uw vloeken. Meent gij ze echter door uw
ftem te kunnen dwingen ? beproef het dan eens met :
joert, zeg «i/alleen,en ik ben zeker, dat zij even goed
zullen opfchieten, en gij behoudt dan nog het woord,
waar in gij zoo veel kracht fchijnt te ftellen , terwijl
gij niemand ergert door uw vloeken.
De Boer. Op het eerfte heb jij althans gelijk.
Menheer! want laatst hoorde ik nog, toen ik de ftü
uitgegaan was, dat de maid teugen den knecht zei:
Tuit tuit — het iene oor in, het aere weer uit —
vloeken doet gien zeer.
De Heer. De meid floeg den fpijker op zijn kop.—
En ik kan niet denken, dat gij (zoo als ik jonge baar-
de-