Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C )
gen onbechchtzaain te noemen. Ja ik zeide zelfs dat
ïk het vloeken voor een flrafwaardig misbruiken hield van
benamingen en namen, waar voor men altijd zekeren eerbied
behoorde te hebben: Zoo houde ik het, over hetalgemeen,
niet alleen ten aanzien van die ijsfelyk klinkende woorden,
waar men ze voor niet meer dan llopwoorden kan aannemen;
maar n^eer en ernstiger, waar het beftaat in het loszin-
nig mengen van den naam van het allerheiligfle Wezen,
en van Hem , dien de Christenen als hunnen Zaligma-
ker vereeren, dikwijls, en zelfs den meesten tijd, in
en bij de beuzelachtigfte en meest nietwaardige rede-
nen en gefprekken. En fchoon ik er verre af ben,om,
zoo maar liefdeloos mijne medemenfchen tot de hel en
het gezelfchap der duivelen te verwijzen , houde ik het
voor eene flrafwaardige oneerbiedigheid , niet alleen
voor de verbazende en warelijk wel cpmerkenswaardi-
ge verfchijnfelen der Natuur, maar inzonderheid en
vooral, voor de hoog-eeibiedwaardige opperlle oorzaak
van dezelve, en alles voor een doorllaande blijk, dat de
verbanden en harten van die lieden verre zijn van die ware
veilichting, die opgehelderde klaarheid, die reine, regt
Christelijke, gevoelens, welke, naar mijn denkbeeld,
noodig zijn , om den mensch reeds hier op deze wereld
den regten voorfmaak te doen hebben van die zaligheid
en vreugde, tot welke hij mij toefchijnt verordend te
zijn, en welke door hun het volkomenfte zullen kun-
nen gefmaakt worden, die het hier het verile gebragt
hebben in zuiverheid van wil en reinheid des harte. Maar
ik merk,dat ik voor de plaats, waarwijzijn , te ver kom.
Een Boer. In het geheel niet. Menheer! Ik luis-
ter als of ik een vink in men oor heb. Want ik bin
wel juist geen vloekers baas, maar evenwel ik laat er
wel eens een knoopje onder rollen, als ik bij de
maats bin; niet zoo grof wel als die matrozen; maar
ik ken het dan toch wel — en zoo onder men werk,
als men jongens wat looi zijn, dan fmak ik er wel zoo
een dit en datje onder, dat het een aard heit, en dan
Cik mot zeggen zoo als het is) dan gaan ze er wel ééns
zoo dral mee deur, dat het een lust is. Ook als ik
achter mijn peerden zit, en ik mijn bijdehandfche bles,
dat een liiije rekel is, tusfchen beide eens met de zweep
kittel, dan mot er zoon joert B......bij , en — hij
fchiet op. En evenwel, al ken ik het je niet nazeg-
gen, Menheer! je hebt toch gelijk: ik kan het niet
teu-