Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
¥
■ê.
i
( 10 :>
die deze venvenfchingen doen, denken er niet bij. Zij
weiil'cheu althans zeker niet, hetgeiie zij fchijnen te
wenichen: want de ineesten van die loort mislen ken-
jiis aan de ware beteekenis van hetgene zij zoo on-
hebbelijk noemen. Dachten ze er warelijk bij; bedach-
ten ze, v^-at ze zeiden en over zich wenschieu; ik ver-
zeker u, zij zouden er zich wel voor wachten, het te
doen. Wie toch , zou de ürafoordeeleii van den AU
magtigen god, ernstig, over zich wenichen en begee.
ren ? Zeker niemand : want dit (e doen zou ftrijden
met den doorgaanden en als ingefchapenen wensch van
alle nienfchen om gelukkig te zijn, en bellendig ge-
lukzalig te leven.
Jufv. Stijntje. Jfa, Mijnheer! Als god eens zulke
vloekers en verwenlchers van zich zeiven, op de daad
rtrafie, en voor zoo ver het gefchieden kon, liet over-
komen, wat ze zoo roekeloos begeerden; waartoe het
den Alierhooglten zeker niet aan magt en'middelen ont-
breekt, hoe ijsfelijk en rampzalig zóu dan niet het
lot van zulke onbezonnene, onbedachtzame menfchen
wezen!
De Heer. Wat zal ik u hier op antwoorden, Me-
jufvrouw ! ztker mögt het denkbeeld hier van, bij die
onbedachtzame en voor meer befchaafde en zedige men-
fchen , hinderlijke en ergerlijke lieden , wel eens leven-
dig werken , opdat het diende om hen van die loszin-
nigheid en orbedachtza:^mheid af te fcbrikken en terug ^
te houden. Zonder hen te veronrdeelen, of over hen
ten ergflen te denken, is dit alihais ten aanzien van
hun en alle vloekers zeker, dat het hen aan ware
fmaak en welvoegelijkheid ontbreekt, en in zoo verre
beklaag ik hen. Want niemand zal beweren , dat er
eenig piaifier in fteekt, dat men ziine redenen door-
fpekt met niets beteekenende invulfels, hetzij dan van
faliemelk ,van blikfem , of wat het wezen msg.
Jufv. Stijntje. Gii zeidet evenwel. Mijnheer! dat
gij het voor onbedachtzame uitroepingen en een flraf-
waardig misbruiken der benamingen van gevreesde Na-
luuvverfchijnfelen, of van den naam van het Heiligfle
Wezen hieldt: dat zegt toch wat anders en wat meer,
dan dat het enkel Ooplappen zouden wezen.
De Heer. Mij dunkt, Mejufvrouw! dat ik u al van
verre heb laten voelen, dat ik het zeer ongepast, ja
zelfs misdadig vond, dat zich de afhankelijke menscli
ver-