Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 9 )
de vroomen gebezigd wordt, en welke, door liet te dik-
werf herhaald gebruik, dien indruk en eerbied verliest,
waarvan de mensch moet doordrongen zijn, wanneer
hij zijne gedachten tot hetzelve ophelt. Verre zijn zul-
ke lieden van het voorbeeld van den beroemden Engel-
fchen Wijsgeer,roeert b gijle, die zoo doordron-
gen was van eerbied voor cou, dat hij nooit dien
naam uitfprak , dan na vooraf zich in eene ftemming
gebragt te hebben, weJke liij oordeelde te moeten bezit-
ten, eer hij dien hoogwaardigen naam mogt gebruiken.
Juf'v. Stijntje, Gij zegt. Mijnheer! dat gij vloe-
ken voor ftopwoorden houdt. — Wel lieven tijd. Mijn-
heer! dat is wel zacht uitgedrukt.
De Heer. Met uw welnemen, Mejutvrouw! dat //<?-
yen tijdl dat gij daar gebruikt, is ook een ftopwoord,
en eene niets beduidende uitroeping, die toch ook waar-
fchijuelijk de plaats van eenen vloek bekleedt. Zoo ken
ik lieden, die, om zich ook van flopwoorden te be-
dienen, de gewigtige uitroepingen van: vat falkmelk!
wel kristene zielen! mijn gorretje ! jemenie ! /akhrloot!
en welke gekke en kiuderachiige uitroepingen meer, om
hunne verwondering aan te duiden,bij de hand hebben.
Onze varensgasten en loldaten en ook andere foorten
van menfchen meer, hebben daarvoor andere en ruwere
woorden; maar zij hechten daaraan even weinig betee-
kenis,als gij aan uw lieven tijd, en mijn zedige buurman
krelis aan zijn fahemelk. — Ik houde het noodeloos
gebruiken van de woorden: donder \ bUkfêm\ hagel \ ook
van Duivel\ Sathnn\ enz. zeer belagchelijk; doen eigen-
lijk op den keper befchouwd, beteekenen zij niet meer,
dan dat men zeide : wat fnecm\ wat regen\ wat florml
wat zonne/chtjnl tnz. en ik kan mij niet overreden, dat de
meeste van die vloekwoorden hooger kunnen opgenomen
worden , dan als invlechtfeJs. van de reden, die alleen
aanduiden, dat de genen, die dezelve uiifprcken , eene ge-
brekkelijke opvoeding gehad hebben, of eene onbelcbaafde
verkeering hebben. Zelfs oordeel ik eenigzins zoo over
die zoo ijsfelijk klinkende vervloekingen en verwenfchin-
gen van zich zeiven, welke rnvve menfchen, zoo dik-
werf uitbraken , ter bevestiging als het wnre van hefgene
zij gezegd hebben : zoo als daar is: God ftraf me! God
verdomme! (verdoeme mij') God doome .' (Hoode mij
waar van, a's tot verzachting, fot domie. Jan domel^
Ik mag eeuwig verdoemd zijn.' en dergelijke meer. Zij,
As" die