Boekgegevens
Titel: Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Auteur: Swaan, Johan Samuel
Uitgave: Utrecht: O.J. van Paddenburg, 1813
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1129
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206147
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Vorige scan Volgende scanScanned page
L
- C H )
jpinnncn boudeti. op; maar haare iiitwerkfclen dua-
ren misfchien nog voort, en , kunnen , van gevolg
tot gevolg overgaande, misfchien, over honderd
jaareu nog niet geheel opgehouden hebben te wer-
ken. Die plannen houden op; maar van elk der-
zelven, van elke gedachte , in dit brein opgere-
zen , is reeds rekenfchap afgelegd. Ontzettend
denkbeeld; het Is mij niet moogelijfe dc gedag-
tenreeks, zoo als die zich bij mij opvolgde vaii
eenen enkelen dag; dikwijls van een enkel uur
aaneengefchakeld mij voor te {tellen; alle die wijzi-
gingen na te gaan, die een bij denkbeeld daar aan
gaf; die afbrekingen, door van buiten komende
indrukken veroorzaakt, en egter. die allen flaa»
daar geregeld van het gehele leven, niet van de-
zen man; maar van de duizende milHoenen men-
fchen , die in op eenvolgende gedachten deze aar-
tje bewoonden , den Eeuwigen voor oogen. Geen
derzelven is voor Hem verloren. Ondenkbare
Grootheid , die alleen een genoegzaam bewijs voor
Cods oneindigheid uitmaakt. — Wie gij dus waart,
is onzeker; maar zoo veel is zeker, gij waart mijii
33roeder; gij waart een mensch ; en ik, ik zal
eens uw broeder worden, ook in den ftaat, v/acr
in gij tl nu bevindt. Dat ik, het geen thans de-
ze hut bewoond, zal eens dezelve verlaten, e»
Tan die hut zelve zal, gefloept, eens niets over-
blijven dan een geraamte, aan U gelijk. Gij waart
mijn Broeder; ten minsten woonde in U een. we-
zen, dat eigentlijk tot mijn geflacht behoorde;
Want het ftof, waar uit gij zijt zamengefteld, had
jij en heb ik op dit ogenblik met de dieren ge-
meen ; maar die eigentlijke mensch, dat verheve-
ner deel, dat u nu verlaten heeft, waar bevindt
gich dit thans, e»hoe veele voordeelen heeft het-
zei-