Boekgegevens
Titel: Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Auteur: Swaan, Johan Samuel
Uitgave: Utrecht: O.J. van Paddenburg, 1813
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1129
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206147
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Vorige scan Volgende scanScanned page
( )
brengt, een ieder tot vriend wilden maken, belo-
ven elk met wien zij iets te doen hebben, hulp,
bij (land, voorfpraak cn alles; ja veel meer dan
men van hen verlangt: let bij hen, met wien gij
cm moet gaan, of zij ook tot deze twee zoorten
van liêden behooren ; en zoo gij dit ondervinden
mogt; neem u dan zeer in acht, en waag u niet
verder met hen; Iaat u flechts in zoo verre .met
hen in, als volflrekt noodzakelijk is, en uwe be-
trekkingen medebrengen ; maar ftel noch uwe deugd;
noch uwen goeden naam ; noch uwe middelen im-
mer in hunne handen, — Hij lette verder op hen in
kleinigheden. De huichelaar, hij die anderen bedrie-
gen wil, is voorzichtig. In dingen van belang,
in zulke dingen, die den aandacht tot zich kunnen
trekken, neemt hij zich zeiven in acht, en h*ndelc
zodanig, als hij handelen moet; om dac hij be-
grijpt, dat 'er op hem gelet wordt; maar in klei-
nigheden is hij minder op zijne hoede, vooral
wanneer dezelve onverhoeds voorkomen, en hij
geen tijd heeft zich te bedenken, neemt hij dik-
wijls zijn waar karakter aan, en vertoont zich zoo
als hij is. Hij lette vooral op hen in hunne naau-.
were betrekkingen. De man die geen goed zoon,
geen goed echtgenoot, geen goed vader is; hoe
zoude hij een goed vriend, een goed lidderMaat-
fchappij kunnen zijn; of zoude hij, die zijne naas-
te plichten verwaarloost, de meer verwijderde
betrachten willen? Maar zijn zij in deze getrouw,
omtrent hunne ondergefchikten menfchelijk; dan
^kunt gij vrij zeker rekenen, dat zij vatbaar zijn
'voor het edel gevoel van deuf^'d en plicht, en
hetzelve ook omtrent anderen, die met hen iets te
verrichten hebben 5 betrachten zullen. Lichtelijk'
begrijpt gij, jongeling! dat dit alles flechts wenken
- " zijlij