Boekgegevens
Titel: Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Auteur: Swaan, Johan Samuel
Uitgave: Utrecht: O.J. van Paddenburg, 1813
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1129
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206147
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 59 •>
dat gij ook niet altijd zelfs dit behoefde te doen}
• gij moet toch in Haat zijn, te beöordeelen, of
het wel verricht zij; in ftaat zijn, uwe onderge-
fchikten behoorlijk in het verrichten daar . van to
onderwijzen of te recht te helpen. Wanneer gij
uwen beftemden tijd in deze oefeningen hebt door-
gebracht ; wanneer uw geest daar door afgemat,
of uw ligchaam vermoeid zijn; dan moogt gij uit-
fpanning nemen. Dan zijt gij daar toe zelfs tot
behoud van de helderheid uwer ziel, of herftel-
ling uwer ligchaaraskragten verpligt. —• Maar ten
tweden, van de keus dezer uitfpanningen hangt
■zoo veel voor u af. De luidruchtige vernjaken,
welke de reeds te zeer tot zinnelijkheid geneigde
jeugd zoo zeer aantrekken, zijn liet piet, die gij
de voorkeur moet geven. 'Er zijn 'er verfchei-
den, die in zich zeiven niet zondig, maar om
hare gevolgen gevaarlijk zijn. Laat ik maar eens
het Kaartfpel noemen; dit is In zich zeiven ge-
heel onfchuldig; maar blijft het dit altijd; Wea
den jongeling, die 'er zich aan overgeeft. Wel-
clra zullen zijne bezigheden hem tot een last wor-
den ; geld zal men hem niet kunnen vertrouwen ;
wat zeg ik, Jiet geluk van zijne vrouw en kinde-
ren zal hij , verder gekomen, niet fchromen aan
een kaartenblad toe te vertrouwen. En laten wij
eens bedenken , welk eene armzalige bezigheid voor
een redelijk wezen aan niets anders te denken dan ,
zijne geheele, voor de eeuwigheid gefchikte ziel
vervuld te hebben met het nietig denkbeeld van
de betrekking, waar in eenige kaartenbladen toe
elkander ftaaq. — Hoe veele genoeglijkere en
edelere uitfpanningen zijn 'er niet, en die de ziel
niet zoo ledig laten. Eene wandeling in de fchoo-
ne Natuur en bet befchouwen der voortrcflijke
too*