Boekgegevens
Titel: Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Auteur: Swaan, Johan Samuel
Uitgave: Utrecht: O.J. van Paddenburg, 1813
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1129
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206147
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 58 :)
de fpelen zijn, des te raeer vermaak fcheppen zl)
in dezelve! Naar mate de jongelingsjaren nade-
ren , vermindert deze neiging', of verandert van
voorwerp. De rede, die zich nu begint ce ont-
wikkelen , jnoet den jongeling leeren, dat 'er
ernftiger bezigheden zijn, die zijne fpelen vervan-
gen moeten: deze worden dus ook zeldzamer en
aan die meer ontwikkelde rede meer overeenkom-.'
flig'. ■—• Maar ook de volwasfene heeft zijne
fpelen; wat toch anders zijn zijne Hitfpanningen ?
Voor den jonge mensch, die nu zijne fpelen in
«itfpanningen veranderen zal, is deze keuze dik-
wijls uiterst gevaarlijk, en ik wilde daarom, lieve
jongeling! u eenige oogenblikken over dit onder-
werp onderhouden. Foor eerst, leert u het:
woord uitfpanning reeds, dat dezelve flegts eene
verpozing van ernfliger bezigheid zijn moet; wanc
iets dat niet is ingefpanneh geweest, behoefc
niet, kan zelfs niet uitgefpannen te worden : uit-
fpanning, van welk eene aart zij ook zijn moge ,
mag dus nimmer hoofdbezigheid worden. Die oe-
feningen , die gefchikt zijn, om onzen geest mcc
nuttige kundigheden te verfieren ; om ons te vor-
men \T>or den 'fland, dien wij in de .vereld be-
...kJcdeß. zullen, en ons in flaat moeten flellcn oin
denzelven goed en naar vereisch te bekleden,
moeten voorafgaan. Die oefeningen, die werk-
zaamheden mogen dan moeilijk of ligt, meerder
of minder aaneieniijk , meerder of minder belang-
rijk zijn; even weinig mogen zij door ons ver-
zuimd worden; want het is fchandelijk voor een
ieder in het beroep, dat hij waarneemt, in het
ambt, dat hij bekleed, niet in alles, tot de ge.
ringfte kleinigheid toe onderricht te zijn ; niet al-
les aelfs te kunnen vorrichteu. Al ware het toch »
dat: