Boekgegevens
Titel: Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Auteur: Swaan, Johan Samuel
Uitgave: Utrecht: O.J. van Paddenburg, 1813
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1129
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206147
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 55 :)
liij Zich tegen lióogmoed in acht aeemt, zorgdr»..
gen, dat hij niet tot laagheid vervalle. Een ge-
past gevoel van eigen waarde voegt den mensch ,
voegt vooral den man. Mist hij dit; dan wordt
hij tot alles in ftaat, ora dat hij geene achting
voor zich zeiven heeft, om dat hij zich zeiven
en zijne mening over perfonen en zaken niet ver-
trouwd ; en dui is hij aan een riet gelijk, dac
zich herwaarts en derwaarts beweegd , al naar dac
de wind hetzelve verfchillende richtingen doet aan-
nemen i zoo ook verandert hij van meningen, van
inzichten, van plannen, «1 paar dat hij verfchil-
lende indrukken ontvangt van die genen, met
wien hij omgaat. 2ijn waarheidsgevoel gaat ver-
loren , om dat hij van geene waarheid vast over-
tuigd is, en hij eindigt met een laffe huichelaar
te worden, die zich naar een ieder fchikt en juist
daardoor op het laatst, een ieder tot vigand krijgt.
Deeze beide uiterften dus, o jongeling ! moeten
door u vermijd worden; ^jeiden voeren u van den
weg der waarheid, der deugd en des inwendigen,
ja zelfs des uitwendigen geluks af. Leer alle din-
gen ; maar voorat leer u zeiven regt kennen 5 zo»
zult gij best zelfs uwe gebreken leren inzien; daap
tegen op uwe hoede zijn, en trachten die te ver-
beteren , en de moeilijkheden, die gij hier bij on-
dervindt , zullen u bewaren voor hovaardij; maar
gij zult tevens leeren u In acht te nemen voor dia
laffe menfchenvrees, die zeker onder de grootfle
gebreken behoort geteld te worden, om dat hij ,
die zich in dezelve toegeeft, voor al wat grooc
en edel is, onvatbaar wordt. Praal dan nooit mee
uwe kundigheden; tracht nimmer uw gevoelen door
te drijven ; doe nimmer hem , dien gij in een of
ander opzicbt beneden u wwh , uwe meerderheid