Boekgegevens
Titel: Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Auteur: Swaan, Johan Samuel
Uitgave: Utrecht: O.J. van Paddenburg, 1813
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1129
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206147
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 53 )
hüt waare of vermeende goede, dst wij in ont
vooronderftellen, doet het ons ingenomen zï]t]t
met alles, wat van ons komt, met onze eigen
meningen , daden , bezittingen ; en op die van an-
deren met eene zekere verachting nederzien , wel-
ke niet na kan laten door hen opgemerkt te wor-
den , en hen te mishagen, hoe fijn wij het ook
meenen aan te legden, om dezen hoogmoed te
ontveinzen; het gevolg daar van is, dat zij ons
even zeer verachten, als wij hen, en dat het
goede, dat werkelijk in ons is, juist daarom door
anderen wordt voorbij gezien, opzettelijk voorbij
gezien, om dat wij het hen al te veel willen,
doen opmerken; dat zij zich verheugen, wanneer
zij in de gelegenheid zijn om te vernederen, ge-
legenheid , die zich al zeer ligtelijk opdoet, daar
wij al meer en meer ons zeiven willende verhoo-
gen, ons juist bloot geven, door ons te wagen
aan dingen, die in een of ander opzicht onze
krachten te boven gaan, — Maar betaamd hoog-
moed den volwaifenen nimmer; noch veel minder
past zij den jongeling. Hij toch heeft nimmer
eenige de minile rede, om zich te verhovaardi-
gen. Op zijne kundigheden? Ach! hoe weinif
weet, hij in vergelijking van het geen 'er noch voor
hem te leeren overblijft ? En ran dat weinige zelfs,
hoe weinig grondigs ? hoe weinig, dat hij zelfs
onderzocht heeft ? hoe veel, dat hij op het woord
van anderen, van zijne leermeesters heeft aange-
nomen ? — Op zijne deugden ? O ! hoe weinig
betekenend, hoe onvolkomen zijn ook de besten
derzelve, wanneer hij die tegen overfteld aan het
geen hij worden kan , worden moet, wil hij flechts
eenigzints de plichten betrachten, die zijne ver-
Icbiiiende betrekkingen van hem vorderen. Ach !
ook