Boekgegevens
Titel: Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Auteur: Swaan, Johan Samuel
Uitgave: Utrecht: O.J. van Paddenburg, 1813
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1129
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206147
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Vorige scan Volgende scanScanned page
' c x8 :)
ringt; de meeste onzer denkbeelden \vorden door
hetzelve veel meer, dan door de overige zintui-^
gen geholpen. De reuk der bloemen moge ons
Isekooren ; wanneer het oog ons derzelver fchoone
vorm en kleuren niet ontdekt, is het genoegen cti
de aangename gewaarwording, die zij ons veroor-
V-faken, veel fiaauwer. Gods grootheid en goed-
heid ontdekt ons vooral het gezicht, wanneer wij
daar de fiatige zon zien oprijzen, en licht en
kleur over alle voorwerpen verfpreiden; wanneer
wij in den avond de maan het uitfpanfel zien ver-
fieren, en in de duizende flikkerende vonkjes zoo,
veele werelden zien, aan het azuur gewelf opge-j
■hangen. Het is het gezicht, dat ons met de
Ivoorwereld en de wijzen, die in dezelve geleefd
'hebben, in betrekking brengt, en waar door wij
ons de nu tigfte en afgetrokkenfte kundigheden
feigen maken, wanneer wij in het ftille boekvertrekj
de vruchten der werkzaamheid van anderen beöef-
fenen. Kortom ! hij die het gezicht mist, ent
jaltijd miste, heeft veel meef moeite, om zichi'
eenigzints ordentlijke en aanëeUgefchakelde denk-[
beelden van het geen buiten hem voorvalt, te
maken, dan die, welke ongelukkig van een anderi
zijner zintuigen beroofd is. En dat gezicht! wel tl
een wonder op zich zeiven ! dat kleine oog, ge-
fchikt om de grootlle zoo wel als de kleinll:e||
voorwerpen pp te nemen en af te beelden, dac
ons het ver af gelegene zoo wel als het geen vlak
bij is, voorftelt; zoo duidelijk voorftelt, dat wij
van het een dc omtrekken, van het-ander de kleu-
ren , en alles, wat de uitwendige gedaante be-
treft , door die voorfteliing kennen ! o God ! hoe
groot, hoe goed zijt gij ! hoe konftig hebt gij den
»ensch geformeerd. Tragten wij kortelijk iets van
dej^