Boekgegevens
Titel: Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Auteur: Swaan, Johan Samuel
Uitgave: Utrecht: O.J. van Paddenburg, 1813
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1129
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206147
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Tot streeling van het oog en voedsel voor het hart: leesboek voor jonge lieden van alle standen
Vorige scan Volgende scanScanned page
C "C. )
doe blfjken, dat gij dien waarlijk bezit dan, itran-
neer het zaak is, dë rechten dér menschheid, of
die van anderen, of de uwe te doen eerbiedigeit
of te redden. —- De waaré nloed beftaat ook
niet altijd in het ondergäan van Levensgevaar;
zij eischt dikwijls van ons opofferingen van eeneit
anderen aärti Bij voorbeeld : Iemand wordt in een
groot gezelfchap gélasterd; nielil befchuldigt hem
van misdaden, waar van wij in ons hart over-
tuigd zijn, dat hij dezelve niet bedreven hecft^
Wij zijn dus vatl Jiijne onfchuld overreed; maar
het gehele gezelichap vermaakt zich ten zijneil
kosten: dan, dan behoord er moed toe, om alleen
op te ftaan, zich tegen het algemeen gevoelen tö
verzetten, en de rechten der onfchuld te doen
gelden; meer moeds misfchien dan onl gewapend
in gezelfchap van eene menigte anderen eenen
vijand te gemoet te treden. Wanneer het eenen
listigen bedrieger gelukt is het älgeirteene gevoelen
ten zijnen voordeele voor in te nemen; wanneef
wij de lagen zien, die hij der deugd fpant, en
wij zijn in ftaat hem te ontmaskeren; maar wij
zien tevens in, dat hij, indien onze poging mis-
lukt, in ftaat en zeker gezind zal zijn ons te be-
derven ; dan behoort er moed toe, om vOor dä
deugd ons geluk; ja wat meer zegt, dikwerf on-
ze eer op te offeren. — In alle zulke gelegenhe-
den , jongeling! behoord gij te toonen, wat gij
voor pücht over hebt, en dat gij vastheid eiï
l^erkte van ziel, de eenige bron, waar uit waaro
moed ontfpringt, bezit, om u alle de gevolgen te
troosten, die uit het betrachten van dien plicht
voor u kennen voortvloeijen. Maar ook hij, die
waare moed bezit, vermindert reeds daar door
aeer yeel de dreigende gsvaaren. Yeele men.
fshcni