Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
r ^ j-jijj-L^j.. I ^^^^^^^m^mrnmmammmmmi^mmtmmm
- 7G -
Daar 's Hoogften wenk het wicht van uit haar fchoot onibieclt!
Haar lach' die morgen toe met dien verkwikbren zegen!
De Dood bedreigt hel reeds eer 'tnog den daggeniet.
De Lent' groet zijn geboorte, en ftrooi' zijn weg met lover;
De Zomerroos verbleek' voor 'troosjen van zijn mond;
De gure Herfstwind waait zijn eenzaam grafjen over.
En 't grimmig Noorden brult in 's moeders hartewond.
Ja meer! 'Ly ziet vernHct by 't vroege morgengloren
Haar telg in 'slevenskracht! Wat duurt die weelde kort!
Eén doodfluip zal den lach op 'l frisch gelaat verftoren,
En de avond vindt ze op 'i lijk wanhopig neergeftort!
'kZag dus mijn dierbaar wicht by 'lllctlijk ochtendkrieken.
Mijne onvergeetbre Irene, als 'tLcntebloemljen frisch: —
Met de avond naakt de dood op uitgebreide wieken ,
En 'tfnikken op haar graf is al wat me over is!
En gy...! (O 't Hart ontzinkt me op 'i denkbeeld van uw fmarte,)
De Dood verrastte u niet, mijn minlijke Adelheid;
Hy trof door 't geen gy leedt uw oudren diep in 't harte;
Zy hebben om uw lot hunne oogen blind gefchrcid ! —
Ja, nog, nog weenen zy, mijn overdierbaar wichtjen ! •
Nog bloedt hun hartkwetfuur met ondoorftaanbaar wee;
En, baadde ik kusfend foms uw kwijnend aangezicht jen ,
Mijn tranen flroomen nog, gy naaml ze in 'l graf niet mee.
En gy, mijn knaapjens...! ach, mijn zuiztend brein verwildert:
Wat doe ik? ga ik voort? In d'adem flikkend, voort? —
Verbeelding, fia my by! gy die Gods Englen fchildcrt.
En fchets hun heü my af, eer my de fmarl vermoordt. —
Gy toont my 'l leven reeds, als neVeldamp, verdwijnend;
ó Maal my 'l zalig uur, het zalig vroeg of fpa',
Wanneer 'i hergeven kroost, in hemelglans verfchijnend ,
Me in de armen zinken zal door Jezus heilgena.
ö Zaligend verfehlet! u uitzicht op 'l hereenen!
Gy rukt mijn ziel van de aard , gy beurt haar op tot God.
ó Zucht niet meer , mijn harl! mijn oog hou op van \scenen!
Ik vind mijn lelgjens weêr in 't zaligst heilgenot!
Ja, dan, wanneer de dood mijne oogen zal verduifteren,
En 't matte levenslicht my flaauw en flaauwer ftraalt.
Dan zal hun Englenflem my 't lieflijk welkom fluisteren,
Dan zie ik ze om my heen op 't fierfbed neergedaald.
Verkwikking zaf de glans, die om hun lokjens flonkert,
My geven, by de dood, ja, fterkle en lafenis.
Hen volgt mijn ziel gerust, wanneer mijn oog verdonkert:
Ik ben hun wederzien door 's Heilands dood gewis.
God! doe me in 't fiervensuur dees troost in 't harte flroomen,
Die niet met aardfchen fchat in 'i graf verloren gaal!
Wat is al 's warelds goed, wat de ijdle wellusldroomen,
Voor die in 'l Heilgeloof hel oog op Jezus üaat?
1808. ——