Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
7d
«'k Zock niet, me in uw Iiari le dringen;
fcZie ray Hechts met deernis aan:
• Gun my, met de hurelingen
• In uw dienst gelijk te slaan.»
B \ch , mijn zoon , my weergegeven,»
Hiep de grijzaart juichend uit!
Paar hy met een wagglend beven
Elam in zyne armen Huit.
« Neen! gy van de dood herrezen,
« Die le rug keert aan mijn hart,
• Hebt geen vaders oog le vreezen ,
«Geen verlenging van uw imarl.
• Dckke een feestgewaad uw leden
« Als een vorst op 't kroonfeest fiert,
« En zij dit gezegend heden
« Met de hoogfte vreugd gevierd ! »
Jubel is het in den hoogen
By des zondaars wederkeer,
En,' met blijdfchapUralende oogen
Zien Gods Englen op hem neêr.
Aan de Dood.
Op 't woord van de Almacht niet, by 'i heerlijk wareldvornicn,
Maar uit den vloek geteeld, die op de zonde rust,
Verneèrt gy 't fchepfel Gods tol lagen prooi der wormen,
Wanneer uw moordende aam de levensfakkel bluscht.
V zal ik zingen , Dood ! Verfchriklijke Alverwoefier ! —
Neen , weenen voegt veeleer by *t denkbeeld van uw macht
Gy, die geen voorwerp fpaart, hoe teèr ons hart hetkoelter*,
'En 'l morgenlicht herfchept in ondoordringbre nacht! —
Hoe! ik die telgj' op telg in uwe vuist zag knellen;
Wie 't moederhart nog bloedt en van geen heeling weet;
Hoe zal mijn ftramme hand het fiddrend fpeelluig flellen?
\Vat zangtoon fchelsl uw woede, ó bron van 't follrendst leed !
't Waar weinig, uw geweld den grijzaart op te dringen:
Wat wacht hy dan uw nacht in *s levens avondflond ?
Maar 't wicht, wiens dageraad wy 'tblijde welkom zingen.
Wat zweeft gy dit in 'tbloed met fchrikbre knaging rond?
De moeder juich' vol vreugd het heuglijk daglicht tegen,