Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
1809.
— G7 —
op Eones bleeke kaak ;
'l Hart doorregen
Van den degen,
Dien liy uittoog haar ter wraak.
Aan Minona.
Van waar die ernst op *t zacht gelaat ?
Wat doet de vloeibre tranen rollen,
Die op der wangen inkarnaat
Tot heldre diamanten fiollen?
Wordt dus de blijde dag begroet
Die u hel aanzijn heeft gegeven 1
Is 'lieven dan geen kostbaar goed,
Met vreugd en zegening doorweven ?
Lacht de aarde u dan niet lieflijk aan ?
Of zweeft de fchaduw voor uwe oogen
Van de uren, in het niet vergaan,
Ja , onherroeplijk heengevlogen!
Peinst ge op den vlotten levenstijd,
In 't eeuwverzwelgend meir verflonden I
En treurt ge om dat hy henen glijdt
Als korie winter-middagiionden ?
Wenschl ge u, der kindsheid vreugd weerom?
Vergat gy haar verdriellijkheden ?
Vergaan is ze als de zomerblora
Door 's wandlaars voeten plat getreden.
Minona, ach! herroep haar niet;
Verganklijkheid heefl haar verzwolgen.
Pluk 'i bloemljen dal de jeugd u biedt,
En laat den Tijd zijn pad vervolgen.
De jeugd fnoerl nog met zachte hand
Uw heup den gordel om van rozen;
Uw vlecht, de bloelende amaranlh ;
En doet uw wang als de uchtend blozen.
ö Schep dan wellust In 'tbeftaan!
Gods aarde is ons tot vreugd gel'chonken ,
Zy lacht ons in de fchoonheén aan.
Die mot des Scheppers almacht pronken.