Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— G5 — i
't Uchtendkricken •
Zag zijn wieken, ^
Zlcli ontplooien op den wind.
»1
*k Heb met zorgen ;
H Schrift verborgen ,
Onder 't zachte vlerkfatijn.
Zou ons haken,
Zou ons blaken ,
Weer op nieuw verraden zijn ? ^
Heeft hem 't wappren ^
Heeft hem 't klappren ,
Van zijn vleugelen ontdekt,
Toen 't entglimmen
Van de kimmen
\ Sluimrend aardrijk heeft gewekt? — '
Neen , Eone,
Wie u hoone,
Wie ooit twijfele aan uw hart,
Gy verliet niet,
Gy verriedt niet,
Die u eenmaal dierbaar werd.
Neen, geen lijding :
Van verblijding
Bracht u 't duifjen, van mijn hand. I
Onze ellende l
Heeft geen ende, '
En mijn uitzicht ligt in 't zand.
Tn wat banden,
In wal handen,
Viel de onnoczle dien ik zondll
Mooglijk zwierf hy,
Mooglijk flierf hy ,
Door des jagers fchichl gewond.
En ik droeve
Sta en toeve,
Tot uw oogwenk my verblijdt;
Daar gy de oogen
Heft len hoogen ,
En de vrije musch benijdt.
Streeft de roover
Stroomen over,
Zal hy wet ontzien noch macht;
k. w. budeudyk. — i. 5