Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
~ 50 —
«Een monfter ftond den arm des zwakken grijzaarts legen.» —
«Dat inonfler (barst hy uit, en knarlelandt van pijn,)
«Dat monfter, Analied — Dat monfier is Arnyn.
«Ja, ik I ik drukte 't flaal, om moorders af Ie keeren
«Gelrokken, hem door 'thart, by 'tdringendst lijfverweeren.
«Ik trof hem blindelings, ja, maar offer u mijn bloed,
«ó Dat het ftroom', Geliefde, en voor dien gruwel boet'!»
Vol affchrik rukt de maagd zich uit zijn bevende armen;
En 'l veld weêrgalml den loon van H hartverfchcurendst kermen.
«1 Gy zijt het, gy Arnyn (dus fchreeuwt ze, en wendt zich af)!
•(IJw gruwzame arm oninuit me eens dierbren Vaders graf?
«6 Vlied, en doe my *i beeld eens oorlogsheld vergeten,
«Die met zoo wreed een Ilag my 'thart heeft opgereten!
«Ik minde u, maar helaas! ... neen, 'kheb u niet bemind,
«Nog min ik u —ja nog; maar ach, ik voel my kind!
«Die hand , nog laauw van bloed zoo heilig in mijne oogen ,
« Heelt nooit mijn boezemwond , mag nooit mijn tranen droogen I
«Vlied, dierbre, vlied, Arnyn! geef me over aan mijn fmart!
«Die min," mijn eenig heil, werd misdaad voor mijn hart.» —
«'kOntzie uw droefheid, ja! ze is in mijn oog rechtvaardig.
«Ja (riep hy nokkend), ja! 'k werd uw hand onwaardig!
«Maar fluit uw teedre ziel voor 'l mededoogen niet.
« Ontfang mijn jongllen groet, beminlljke Analied! » —
«Genaak niet (gilt ze, en deinst): onlzie me, en treê>iel nader!
«Daar roept me een dierbre plicht by 'l lijk van mijnen Vader!»
Nu zwijgt ze, en ftort met drilt aan 's grijzaarts zij', ter aard.
En grijpt met vlammend oog het hy hem rustend zwaard.
Arnyn ichlet toe! Helaas! reeds heeft ze met zijn degen
Den kinderplicht voldaan, en 'tmaagdlijk harl doorregen.
«Thands reikt ze Arnyn de hand, en Itervend flamelt ze uil:
«'k Ben de uwe , ö mijn Arnyn. Ik fneuvel als uw bruid.
«Eerst moest mijns Vaders fchim in my voldoening vinden.
«Thands mag de liefdeband ons in het ftof verbinden.
«Vaar, dierbre Held, vaarwel, en troost u van mijn dood.
«Mijn laatfte fuik waar heil; zoo gy my de oogen Üoot.»
Zy Ipreekt. Haar boezem flikt: haar oog blijft op hem fiaren;
En, iu dien blik verflijfd, is haar de ziel ontvaren.
De jongling werpt zich ftraks by zijn geliefde neêr,
Doorvlijmt zich 'thart in eens, en zuchl, en Is niet meer.
Aan Gormals waterzij', by 'l klaatren van de flroomen,
Verheft een graflerp zich, omheind van olmenboomen,