Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
— 51 —
Zoo wacht de tortelduif de komst van die zij lieft.
En weet niet van den fchicht die flraks haar boezem grieft.
Keer, argelooze maagd , wend af uw vlugge fchreden !
Te rugl gy zoudt in 'tbloed uws grijzen vaders treden!
Sla 't llefdeflikkrend oog naar 't overtWersde zwerk:
Üe dood zweeft om uw heen op vale vleèrmuisvlerk:
Ue zilverblanke maan, wier glans voor u moet zwichten,
Verbergt zich in de wolk, en beeft, u voor te lichten! —
Vergeefs! — Zy ftreeft voor uit. Zy ftoot den rasfen voet
En trappelt met een fchreeuw in 'l om haar plaslend bloed.
Üe nevel fcheurt uit een, die 't maanlicht had belogen.
Een gruwzaam Ilachtveld rijst voor haar verduifterde oogen,
Zy ftaat, als wortelvast, en ademloos, en flom,
En werpt het gapend oog met holle blikken om.
Dat oog zoekt naar Arnyn, en fiddert hem te vinden.
Zy luifiert naar zijn ftem iu d'adem van de winden.
«Ach (barst zy eindlijk uit, met halfverltikte zucht)!
«Ach, dierbre Arnyn , waar toeft ge ? omzweeft gy me in de lucht ?
«Ontdek me uw gruwzaam lot. Wie heeft u 'toog verduiflerd?
«Wie heeft uw heldenarm in 't dompig graf gekluifterd?
«Ik volg u in de dood, ik volg u, dappre held,
«En zij mijn naam bij d'uwe in 't Hardenlied vermeld! »
Zy zweeg: zy zenkt den blik ondanks haar-zelv ter aarde.
In 'teind herkent zy 't lijk waarop zy roerloos flaarde!
«Mijn Vadert» (gilt ze op nieuw,) en ftort zich op zijn hart,
En derft in eens 't gevoel van leven en van fmart.
De ontroerde Arnyn vliegt toe, en, meer dan zy verbleekend,
fleurt hy haar op in d'arm, nog van den bloedftroom lekend.
Hy Ijst»van 'tzielloos wit dat haar 't gelaat betoog,
En 't loodblaauw van de dood om 't halfbezwemen oog.
«Geliefde (barst hy uit)! ó keer te rug in 'lieven!
«Zie op tot uw Arnyn, en zie hem met u fneven?»
Daar rijst ze als uit het graf, en ziet verwilderd rond;
Wil fpreken, maar 't geluid verfterft haar in den mond.
3Iet wezenloozen blik, en zonder ademhalen,
Staart ze op des jongiings oog waar liefde en fmart in flralen.
Hy drukt haar aan zijn borst: «ö Adem van mijn hart,
«(Dus roept hy zuchtende uit,) geef doortocht aan uw fraarl.
«Herken me, uw, uw Arnyn! ó zie zijn tranen vlieten!» —
Gelijk het bruifchend vocht dat van 'tgebergt koomt fchieten.
Zoo ftorten Analied de beken langs 'tgelaat!
Ja, zy herkent den held voor wien heur boezem flaat.
Zy klemt zich In zijn arm, maar met wanhopig fnikken,
En wijst hem 's grijzaarts lijk met fprakelooze blikken.
«Arnyn (dus roept ze) Arnyn! ó vlied dit rampvol oord!
«Een nachtfpook zweeft hier om en ademt dood en moord,
aVlied, zoo mijn doodlijke angst uw boezem mag bewegen.
K. W. BILDERDYK. — I. 4