Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 46 —
«Reeds klinkt de loon me in Hoor der teêrfte welkomgroet;
« Haast.... Maar wal wane ik ? ach ! wat baal my 'l wederkeeren ?
«Wie zal hel trotfche hart van Eginaldbezweeren?
« Hy acht geen krijgsman waard te paren met zijn fpruit.
« En wie geen fcepler zwaait verkrijgt haar niet tot bruid.
«Veel beter, wéér te rug en Hzwaard my prijs gegeven,
« Dan Analied Ie zien en niet voor haar te leven.»
Zoo zuchtte Arnyn, en 'toog, waar eerst de vreugd in blonk
Werd dof als 'Ifchemerlicht der diepe rolsfpelonk.
Zijn boezem werd geprangd door 't aakligst voorgevoelen.
«Neen (roept hy) nieis op aard zal ooit mijn vlam verkoelen.
«En, wie de vlam weérfta, 'kheb Analiedes hart!
« Wat is er dat myn moed om haar bezit niet lart!»
Hy zwijgt, en flaal het oog naar Gormals hooge iranfen,
Waar de avondzon op fpeelt met purpren flikkerglanfen :
Dan ach! hy ziet geen zweem van haar wier lief gelaat
Het heldre middaglicht in glans te boven gaal.
«Vlied (roept hy), nijdig licht! verberg uw gulden flralen!
«Ik hijg naar *t avonduur! O, mocht hel nachtfloers dalen,
«De duifternis der nacht me omhullen voor elks oog,
«Dat ik mijne Analied in dc armen ftorten moog!
«ó Wel my! 'k zie den top der weemlende olmenkruinen
«Door de avondnevelwolk hoe langs hoe meer verbruinen!
«Ileeds hoor ik langs de hei der herdren avondlied!
«Dan ach! — uw zilvren ftem. Geliefde! hoor ik niet!
«Hier ftort ik moedloos néér by 'tklaairen van dees flroomen
«En toeve u in het Icof van deze uw lievlingboomen.
«Haast zinkt de laatfte ftreek van 't purperrood in 'tmeir,
«En de eerfte vonk verfchijnt van 't glinflrend ftarrenheir.» —
De krijgsman zwijgt: zijn oog dwaalt angfiig om hem henen.
Allengskens was de maan aan 't graauwend zwerk verfchenen ^
Geen enkle herderstoon klonk meer de heuvels af;
En doodfche ftille heerschte als om 't vergelen graf.
Reeds voelt hy 'longeduld in al zijn aadren zwellen:
Reeds wil hy, wal het kost, naar 'l burgflol henen fnellen;
Doch 't fchomnrien van het loof veriraagl zijn vluggen voel.
Hy waant het Analied die hem in de armen fpoedt.
Vergeefs! nog is dal heil zijn* boezem niet befchoren!
Uy moog met vlammend oog door 'idichifle lover boren,
In ieder flikkerlicht zich vleien met haar beeld,
' t Is liefdes ongeduld dat mol zijn angflen fpeelt.
Maar neen: op 'lnieuw geruisch der iaamgepakle bladeren
Ontwaart zijn oog een fchim. Die wenkt hem, haar te nadere».
Ily ijli! De fchaduw wijkt. Hy volgt, zy vliegt hem voor,
En Itelt zijn fmachtend hart afgrijslijk wreed Ie loor.
Die fchim wendt eindlijk om, en, op hem toegefcliolen,