Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 38 —
En drijven d*angel van de fmart
Steeds dieper in 't verfcheurde hart?
Herfchepperesfe van ellende,
Waarheen des droeven oog zich wende,
Gy doscht hel al in fomber zwart.
Van heel mijn levensbaan, tot dus verre afgetreden,
Herinnert gy my niets dan 't geen ik heb geleden;
Herfchept gy my alleen die paan
Waar distels en cypresfen flaan.
Maar *t geen der distien wond verzachtte,
En 't bloemperk dat my tegenlachte,
Schijnt met den tijd in H niet vergaan. -
Wees werkzaam tot mijn fmart! ik kies haar voor de weelde
Daar 't blind, het wuft geluk ooit flervling meê bedeelde;
Doch waarom door uw tooverkracht,
Uw onweêrftaanbre fcheppingsmacht,
My nooit één uur te rug gefchonken,
Van die in 't niet zijn weggezonken.
Waarin ik de aard een hemel dacht?
Ach, ligt mijn blijde hoop In d*oceaan bedolven,
Mijn uitzicht overfpoeld door de ondoordringbre golven.
En leef ik in den Zoon niet moer,
Mijns levens vreugde en lust weleer;
6 Wil my hom als kind hergeven,
Herinn'rlng! laat my in hem leven,
En fchenk my hem in 'tfchimbeeld weêr.
Herroep hem voor mijn oog, op dat zijn beeld me omwemer.
Als zuigling, met dien lach, het kenmerk van den hemel;
Als knaapjen, met dat fprekend oog
Dat weemoeds wolkjen overioog;
En mei dat hart, waar liefde in blaakte
Nog eer hy 's levens onfpoed fmaakte,
Dat federt nooit mijn hoop bedroog.
HerinnVing — ó toef hier! — Ik fidder voort te treden.
Het Iloeg, dat uur van heil, den hemel afgebeden!
Het floeg, dat uur, toen Nederland
Verlost werd uit des dwinglands hand!
Toen Hollands vlag, op nieuw aan 'twapperen,
Het hart ontflak van Neêrlands dapperen,
Tot wreking van, den flavenband.
Is 't mooglijk, dat mijn hart met moedertrotschheid praalde,
Zoo weet gy, ó mijn God! hoe dier ik dit betaalde!