Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 37 —
De Herinnering.
O Memortj f thou foul of joy and pain,
Thou acior of oiir pasfior s o'cr atjain ,
Why dost ihou agqrevate the u reichc's tvoe»
IVhtj add continual fmart to everij blowl
\\ \(i zijl Rv. bleeke fchim, die wemelt om mijn fchreden ,
Wier vinger onverpoosd Ie rug wijst op 't voorleden;
Die 'l van de fmart ontfierd gelaat
In tallelooze tranen baadt,
En 'l moedloos hoofd ter aard' laat zijgen;
Gebogen , als des treurwligs twijgen ,
Die aan de beek te kwijnen uaat!
Uw beeld, het beeld der rouw, met ongebonden tresfen,
Doorftrengeld met het loof van doffe lijkcypresfen ,
Zweeft me onverpoosbaar voor 'l gezicht,
In zinbedwelmend nevellicht:
Geen nacht bedekt u met haar wieken ,
Gy vlucht niet weg voor 't uchlendkrleken
Waar fchim en geeftendom voor zwicht!
Uw oog ftaat uUgebluscht, en als de maan betogen,
Wanneer ze In neevlen drijft aan de overfloersde bogen:
Uw Item is als het windgefluit
Dal op de holle rolfen Ituii;
Die flem vervolgt my allerwegen ,
Maar klinkt my *l meest ontroerend tegen,
By 't druifchen van het feestgeluid!
Of 't gloeiend Ooften rijst aan d' onbewolkten hemel,
Of 't ftille ftroomnat blinkt van 't zilvren maangewemel,
En middernacht het menschdom fust,
In d'arm der ongeftoorde rust;
Steeds waart gy rustloos om mijn fchreden ,
En wijst my telkens op 't voorleden ,
En rooft my al des levens lust!
Als Dichlkunsts flreelend zoet mijn droef heid zal verllchlen,
Dan Ichept gy voor mijn oog een reeks van lijkgefiichlen,
Of toont me op nieuw de flervensfpond'
Waarby ik als geworteld flond ,
Wanneer ik van eens telgjens lippen
Den vlotten adem heen zag glippen ,
Beftervende op hun bleeken mond!
Hoe lang zult gy zoo droef, zoo treurig om my waren ?
My elk verloren pand zoo Imartlijk na doen fiareo?