Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
mmmaeammmmBmmmm
36 —
Maar hoe zwijgt de ftem der leêrheid ooit in H hart der Moeder ftil ?
God! mijn Vader: laat mij 't hopen, dat die droefheid TI niet hoont,
Die het ouderlijk, gevoelen in zijn hoogfte zwakheid toont.
Toor het geen ons Uw erbarming tot vertroofting overliet.
Laat my al 't gewicht bezeffen van den taak die op my ligt,
En niet eer naar 't eindperk haken eer mijn dagwerk is verricht.
Hel en graf hunne overwinning, en den Dood zijn ftakkel nam !
Dien Bethanien zag weenen by H verfcheien van een vrind,
Zal geen Moeder van zich ftooten om H befchreien van haar kind,
Hy die onze zwakheên deelde, is ook Hy, die 't machtwoord fprak
Dat door aard en grafzerk boorde , en de boei des doods verbrak.
Die den zustren *t troostwoord toeriep dat hun broeder op zou ftaan.
Zal de dageraad des weerziens ook der Moeder op doen gaan:
Zal ook haar ontüaapnen wekken : immers llapen ze als hy fliep,
Dien Hy tot zijns Vaders glorie uit den donkren grafkuil riep.
Sterk me, ó Heiland I in dat uitzicht, in die hoop op Uw gena,
Ons bevestigd, ons gewaarborgd, op het fiddrend Golgotha!
Ons gewaarborgd en bevestigd, toen Gy in uw heerlijkheid
Optoogt naar des Vaders zetel, waar Gy d* uwen plaats bereidt.
\yat zijn dagen , maanden , jaren ? wat is H leven ,dan een droom,
Spoediger voorbygevloten dan de in ftorm gejaagde ftroom;
Enkel lotverwisfelingen, nu eens helder als het nat
Dat, verzilverd in het zonlicht, glansrijk uit zijn beddingfpat;
Dan weêr duifler en betogen , als de wolk, van onweêr zwart:
Kort en vluchtig in den voorfpoed; langer (ja I) in ramp en fmart.
Maar, aan 't eindperk overwogen, op het fterfbed nageftaard ,
Toch gelijk een fchim verdwenen, üechts in 't duizlig brein gebaard.
6 Befeir dit ieder droeve , en Hverftrekk' zijn zwakheid kracht!
Kenmaal zal de morgen rijzen: hier op aarde heerscht de nacht.
Laat ons needrlg, maar vertrouwend , toeven op dien dageraad ,
Als H geloof in H blijd aanfchouwen voor den Kristen overgaat!
Ach, hoe velen, goede Vader, nam dit jaar een lievling af!
Hoe veel diep bedrukten weénen by het nooit verzadigd graf!
Vliete Uw troost hun zalvend tegen , en ftrekke alles van Uw hand
Tol bereiding van uw kindren voor het beter vaderland!