Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
Nieuwjaarsnacht 1820.
Meldl ons daar de koopren kiepert plechlig uur van middernacht.
Met den afloop van een jaarkring , (ach!) in tranen doorgebracht?
H Is zoo : 'k hoor zijn doffe Üagen wedcrklinken in mijn hart:
*k Voel ze in eiken zenuw trillen met een onuitfpreekbre fmart.
Somber klinkt hy als de kerkklok die eens dooden uitvaart
(meldt,
Nooit nog heb ik zoo weemoedig 't uiterst uur eens jaarsgeteld!
Ja de blindheid in de toekomst is een weldaad , goede God I
Wie, wie zou zijn taak volbrengen metvoorwetenlchap van't lol?
Wie bezweek niet in 't vooruitzicht van een ononlwijkbren flag,
Zoo 't verfchiet van fmart en jamm'ren voor den ftervling open lag?
Ik, bewusloos van het onweêr dat zich gaderde op ons hoofd,
Had me een onbewolkten hemel met het naadrend jaar beloofd.
Zei vaarwel aan 't afgelopen' met den dank die Ged behoort.
En begroette 't nieuw begonnen met een hart van vreugde ont-
(gloord;
Opgebeurd door H blijd vooruitzicht datde dag nu haast verfcheen
Die den dierbren weêr zou brengen, reeds zoo lang te rug gebecn;
H Jaar was naauwUjks ingetreden of het onweêr fiortle neêr!
Nog Hechts zes paar dagen bad ik: „Vader breng den dierbren
weêr!"
Nog ücchls zes paar dagen hoopte ik, — en — de dag van Ley-
dens rouw
Bracht den doodmanr uil de verte, dal hy nooit weêr kccren zou !
Welk een meer dan Itervens lijden heeft mijn boezem fints gevoeld !
ö Wat mcngling van gevoelens mijn verpletterd hart doorwoeld!
Wat misnoegen met mij-zelve om de zwakheid van mijn ziel
By 'l bewust zijn dal dit onweêr ook weldadig op ons viel.
'l Blaauwe hemellicht fchiet neder en verwoest hot vruchtbre veld,
Waar wie zal den zegen fchalten die dien zelfden flraal verzeil!
Neen , Algoedheid , neen Gy treft niet om te wonden zonder baat I
Neen , door 't lijden roept 'Ge ons lot ü. Wel hem die die flem
(verftaat!
Wel hem die zich op voelt wekken door ontbering of gemis,
Om zijn heul by Hem In zoeken die der droeven redder is!
Wel hem wien iicl aardsch genoegen, dat als damp, als rook vcr-
(dwijnt,
Door de les der tegenfpoeden meer en meerder ijdel fchijnt!
Wie den zegen leeit gevoelen die aan 't grievendsl lijden paart I
En allengs zich voelt ontliaken van de dwaze lust der aard ! —
Als ik nu my-zelv, Algoedheid, voor tw heilig aanfchijn vraag,
Of ik *tkruis, my opgeladen, als een lijdzaam Kristen draag,—
TJw erbaimen niet miskenne, Uw befchikking prijze en eer',
ö Dan ftort ik, vol ontroering, vol befchaming, voor U cteêr.
Echter heft mijn ziel zich tol U, Uil berustende in Uw wil;