Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 30 —
(Terwijl m'in 'slevens bloei, zich *slevens eind vervroegt,)
Te wijden aan de dienst van Itille kloosterwanden,
ó Laat zich die-alleen (däär zijn geen andre banden,)
Den langen levensdag verkorten met het zoet.
Waar diepe wetenlchap het ledig hart meê voedt l
U, teedre Heloize, u, die geleerdheid hulde.
En 'toffer bracht eens harts dat zoo veel gloeds vervulde;
U, balling van heel de aard, en d' armen uitgefcheurd
Van hem , die eeniglijk dat hart was waard gekeurd;
In u mocht Wetenlchap tot hooger toppunt rijzen;
In u was 't niet de waan die dong naar lauwrenprijzen.
Verheven boven de aard en al haar nietigheen,
Verrijktet gy uw geest met fmaak en kunde, alleen
Om hem, die boven 'tal met kunde en gaven fchiiterdc,
(Doch wien uw teedre min het leven zoo verbitterde,)
Steeds meerder waard le zijn. Met Abelaard vereend
In 't enkle zielsgevoel, met Abelaard beweend ,
En al zijn achting waard , den jongfien fnik te geven.
Zie daar uw eenig doel, al 't voorwerp van uw ïtreven."
Geleerdheid, meer dan goud, voor hem die u bezit;
Wie al wat grootsch gevoelt, eerbiedigt, ja, aanbidtI
Gy, door wier tooverkracht het menschdom wordt belezen,
Gy zijl de hulde waard, u zonder perk bewezen.
De jóngling buigt de knie aan uwen voel in 't flof;
De grijzaart fchept zijn lust in 't melden van uw lof.
En biedt u hulde en eer als Rijksvorfiin der aarde :
Het maagdlijn ('t ftaal haar vrij) erkent, gevoelt uw wanrde,
En hangt met argloos hart aan ieder leerrijk woord,
Ja, lacht hel juichend toe op uwer lippen boord!
Wat jeugd, noch vleierij, nog oogaanireklijkheden
Vermochten op haar hart, gy weet dat hart te kneden.
Gy ftort uw gaven uit, en 'l nooit geroerd gemoed
Bewondert, ja, aanbidt, nog eer zy 't zelf bevroedt!
Geleerdheid, dit 's uw kracht! Het waar Gods weldaan honen,
Zich voor die hemelkracht gevoelloos, koud te toonen.
Dan is 't alleen op 't pad door Wetenfchap betreên,
Dat de eerlauwrier ontluikt? — Neen, moeders, vrouwen, neen!
Dat glorieloof is veil ook voor die onbefchaafde,
Die in den laagften kring aan d'arbeid zich verflaafde.
Om nooddrufts fchralen beet voor echlgenoot of kind
Te woekren, daar ze om hen in 't zwoegen wellust vindt 1
Ook haar voegt de eerekroon, wier deugd, als lentviolen,
Zich ftil en onbemerkt in 'idulfter houdt verfcholen.
Gewis, die teedre voegt de fchiltrende eerepraal
Die, aan het krankenbed en fchraal voorziene maal,
Door lijdzaamheid, geduld, en moedig plichtbetrachten,