Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 29 —
Dan die haar ijdelheid om *t waanziek harte Imeedt.
As 'Ibloemtjen, kort van duur, geen kou* beftand offlormen,
En by de ontluiking reeds len prooi aan wesp en wormen,
Zoo zal de roem vergaan , aan al het aardsch verknocht.
Wee haar , die uil haar ffeer naar't fchijnfchoon bloemtjen zocht
Dat dorenfpils by fpits, verhuld door rijke bladeren,
In hand en vingers drukt die lot haar Hengel naderen.
De zuchl naar kennis, ja, Ttaal ieder ftervling vrij.
Maar dring' zij nooit een plicht, een eedier plicht, ter zij'.
Op dat zij niet wellicht lol blinde drift ontaarde!
Ja, kennis hebb' voor ons ecne onafmeeibre waarde;
Geheel haar weldaad gaal verloren, en te niet,
Wanneer de zucht naar roem op 'tvrouwlijk hart gebiedt.
Haar, die de leidfler is der vroege kinderjaren,
Genoege 't,llechls die maal van Kundigheên te gaÄren,
Die haar voor zulk een taak bevoegd, en waardig maakt
Met d' Echtgenoot, wiens borst naar mededeeling haakt
In zielen onderhoud le wandlen door hel leven :
Ja, laakbaar is 'tin ons, naar hooger lof le i^reven.
Verachlltjk, wie of gade- of moeder|»lichl verlmaadi,
Terwijl m'een ijdle zuchl naar leltcrroem verzaadt!
Gods wijsheid heeft de vrouw beperkt tot enger kringen:
Wee, wee haar die hel waagt zich aan dat perk le ontwringen!
Haar kroost behoort haar zorg geheel en onverdeeld.
Wat zuchl naar kundigheên haar ooit den boezem flreelt,
Begraaf ze in 'tleergraag hart begaafd- en kundigheden.
Waar die le onlwikklen firijdl met plichibefef en reden.
Of faalt haar moeds daartoe, dan voelt de ondankbre niet
Wal rang een moeder ïioudl, en wat haar God gebiedt.
Hy droeg den laak haar op , waar alle nageÜachlen
Tot 'swarelds jongfte i'tond de fchoonsle vrucht van wachten.
Of is 'l der vrouw niet waard, des boezems weeken grond
Te zuivren van het kwaad in 's levens morgenflond;
De zaadkern van de deugd le planten en te kweken,
En.'thart voor God en eer en plichtgevoel le ontAeken?
ö Hing niet vaak het lot van rijk en volken af
Van d'indruk dien m'aan 't hart van 't fiaanilend knaapjengaf?
En we achten 'ivoor gering, het kinderhart te kneden.
En geven 'l d'invloed prijs van drift en fpoorloosheden I
Wy Icheiden ons belang van dat der menschlijkheid!
Ja fchelden 't van God-zelv' voor 't geen den hoogmoed vleil I
UIs weinigen vergund, van aardfche zorj ontheven,
In heilige eenzaamheid hel vreugdelooze leven
Met eiken ademtocht waarvan den boezem zwoegt.