Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
Rppn
— 27 —
En Ihands , Ihands zwerft Iiy om , bedreigd van Itormwindvlagen !
Zy heeft hem aan haar borst gekoefterd dag, en nacht;
En mooglijk dat hy thands.....Neen, Vader, Gy houdt wacht'.
Zy zwelgt met fmart het brood waarop haar tranen druipen,
Als 't denkbeeld aan gebrek het hart haar komt befluipen.
Maar dan, dan fpreekt God-zelf met troost tot haar gemoed,
„Ik leef, en zorg voor hem, ik die het moschjcn voed."
Wanneer de noodftorm giert, dan ftolthaar 'tbloed in deaaren.
Maar, 6, hoe voelt haar hart zijn angstgebons bedaren.
Wanneer zy dan geknield haar handen heft tot Hem ,
Die golf boeit en orkaan door Zijne ontzachbre ftem!
Dan hoort ze een zachle troost iiaar lieflijk tegenfluifleren:
„Laat ftorm en onweêrwolk het middaglicht verduifteren,
„Het eeuwig licht houdt fiand en fcliiet zijn flralen voort.
,, Hy leeft, die 't bang geklop des moederboezems hoort!"
God leefl I ó Zeegnend woord, wat fchenkt gy moed en krachten
Om 't geen Zijn wil befiemt, gelaten af le wachtenI
Ja, reden-zelv bezweek, of wanhoop greep haar aan,
Zoo ze in dien bangen nood geen oog op God mocht Üaan,
Wat dan, wat tooverkracht kan zoo den mensch belezen,
Die om eens oogwenks lust zich-zelv' zoo wreed kan wezen,
Het hart zoo ledig voelt by 't domplen In 't genot.
En 'teenigst zich onlhoudt dat in 'l wcêrbarltigsl lot
Bemoedigt en vertroost, genieting fchenkt aan 'lieven
En onverwrikt doel ftaan waar aarde en afgrond beven ?
Eens oogwenks lust? — ó Ja. Het fterfuur fchijn' verr" af.
Men nadert, eer men't weet, aan't onverbidlijk graf.
Mogt ooit de gloriezucht een ziel voldoening fchenken,
Helaas, geen roem houdt fiand als eens de dood zal wenken.
Verhoogt zy ooit den naam der waardige Echtgenoot? —
Neen: als zy fluimren zal in 'saardrijks muilen fchoot,
Zal marmerzuil of dicht haar zerk niet fchooner fieren
Dan de opgefmukte pronk van 't handvol violieren
Of de onichuldblanke roos, door kinderlijke hand ,
Met dankbaar weenend oog, om haar gebeent' geplant.
Wat was de praal der vrouw, in vroeger, beter tijden? —
't Was dit: haar gantsch beltaan aan Gade en kroost te wijden.
Zy voelde welk een fchat haar zorg was toebetrouwd.
Toen was voor 't lieve wicht geen moederhart zoo koud ,
Dat ze om der 3Iode grirt een dienstbO gaf te voedfieren.
En, van haar arm vervreemd, aan vreemde borst liet koefteren,
Toen was 't haar niet gering, (wat stand zy mocht bekleen,)
De ontwikkling ga te flaan van 'swichtjens valbaarheên;
Toen niet te veel voor haar, met zorglijk rustverzaken.