Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
JIJ
— 2G —
Nooit gingen wy 't geloof aan God en Heiland kwijl!
Nooit mocht lol ons gemoed die gruwel ingang vinden!
Beklaagbren, die u 'loog zoo dwaasUjk laai verblinden!
ö Welk een hel moot de aard mei al haar welluslfchijn,
Wat doornenlegcrfteê u 'l ziek- en flerfbed zijn!
Waar houdt gy u aan vast? wie zal uwe onmacht fchragcn
Als legenfpoed en Tmart uw trolschheid uit zal dagen ? —
Wie aan uw zijde zijn, als u 'tgevaar omringt? —
Wie, rechter in uw zaak als u de nijd befpringl? —
Wien zult ge uw hulploos kroost by 't allerjongst omarmen
Bevelen, zoo uw ziel geen God kent van erbarmen ?
Wie...? Neen: de menschheid beeft by 't aaklig fcheidensuur
Dat zulk een aanzijn iiuit. — Helaas! hoe eindloos duur
Betaalt zy in die angst de ras vervlogen weelde.
Die voor één oogenblik zoo ziclverleidend l'treelde!
Hier dekke ik my 'tgelaat, en fiort my aan Uw voet
Reikhalzend tot Uw ihroon, ó, bron van 't eeuwig goed!
Nooit riep mijn mond U aan , om meer dan Gy woudt geven.
Ik zag, dat aardsch geluk 't genot niet fchenkt aan 't leven,
Maar, 't was in legenfpoed, hoe 't lichaam ook bezweek,
Dat, Vader, aan mijn ziel uw hoogste liefde bleek!
By Weeldes zingevlei, moge U de mensch vergelen,
Ondankbaar , d' achibre rtera verfmooren van 't geweien;
Één onverwacht verlies van wat hy dierbaarst acht,
Heeft vaak van 's afgronds rand hem tot U weêrgebracht.
By Ü, is troost, is heul. Spande aarde en hel te fa men,
Tot ons verderf gereed, Gy laat ons nooit befchamen.
Welzalig is de fmarl wanneer gy ze op ons laadt,
Die Hechts ons heil bedoelt wanneer Gy wonden üaat
Wie fchal de zaalge troost der Godsdienst, recht naar waarde,
Gelijk 'teen moeder doet by 't heuvlig plekjen aarde
Waaronder 'tkindtjen rust, dal, dierbaar aan haar ziel,
In 's levens vroegen bloei haar hopend hart ontviel?
Wie voelt haar zoo, als zy, wie 't fmachlend kind omhuppelt,
Terwijl zijn bleek gelaat de ftille Iraan bedruppelt
Door honger afgeperst? Wat wierd er van haar Tmart,
Zoo niet des Heilands woord haar balsem ftortte in 't hart?
,,God leeft!" dus roept zy uit, en bouwt op Zijn genade
Die in de zandwoestijn de duizenden verzaadde!
„God leeft!" — ó Ja, Hij leeft! wal zielverkwikbre troost
Voor 'l ouderlijk gemoed by 'tafzijn van ons kroost!
„ God leeft! ja, de Almacht leeft," roept fteeds de teedre Moeder.
De Vader ftelt getroost aan de eeuwgen Albehoeder
Het leven van den zoon, hun beider hoop en lust.
En voelt, daar de Almacht waakt, zijn vaderzorg gefust.
De Moeder — ach, zy heeft hem onder 'thart gedragen.