Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 25 -
De traan, de decrnistraan, die in uwe oogen beeft,
Is Handwoord dat u 'thart in teedre ontroering geeft.
Door roemzucht eens verleid, wal zou haar wederhouên ?
't Behagen is de grond waar ze al heur hoop op bouwen;
Behaagzucht fmoorl die ftem, die fieeds by 't zingenot
Den ftervling legen roept: Daar is, daar w een God!
Wy zagen reeds, waarheen behaag- en roemzucht voeren: ?
Wy zagen haar den band der maatfchappy ontfnoeren: .
Heur invloed reeds te diep in eiken kring verfpreid: ^
En, God! wat Hollandsch hart heeft ze ooit genoeg befchreid? •
Daar, waar behaagzucht heerscht voor 't fchoon der blanke zeden, f
Is lang de vrouw van fmaak het, huwlijksfnoer ontgleden.
Zy is haar Egü vreemd, en vreemd aan 't hulploos wicht,
Ileeds by zijn eerften kreet ontrukt aan haar gezicht.
En aan eens huurlings zorg koelbloedig weggegeven,
In fpijt der heiige wel, door de Almacht voorgefchreven!
Daar jaagt ze in 'l zinvermaak, de Wellust, vroeg en spa,
(Van blozen weet zy niet,) in vreemd geleide na;
FiOkt fpotters aan haar disch; ja, boeit aan al haar paden
Wie God, en wettig Vorst, en eer en plicht verraden.
Om, weemlende In hun kring, de deelgenoot te zijn
Van d' ijdlen Wijsgeersroem, en van geleerdheids fchijn.
6, Moogt ge, Algoedheid, ons voor zulk een roem behoeden,
En wijken nooit van ons in voor- of tegenfpoeden!
Den waterbel gelijk, die voor den adem breekt.
Ja, brozer, is 'l genot, waarin uw flem niet fpreekt.
ö. Laat ons nooit die Aem, die heilflem, nooit verdoven,
En nimmer dan in U, aan waar geluk gelooven!
Bevoorrecht Nederland , met recht op kunstroem grootsch ,
Niet uit uw bodem rees dat giftgewas des doods,
Waaruit verpesting vloeide, in honingzoet omwikkeld;
Waarvan 't bedrieglijk blad met ftarrengloed gefpikkeld
Het fchittrend eerloof wierd dal zoo bekoorlijk blonk.
Nooit heeft Balaaffche vrouw, verlokt door zulk een pronk,
De handen uilgeflrekt naar die vergifle Ipranken,
Wien *t menschdom zoo veel leeds en jammer heeft te danken.
Geen schuurman heelt voorheen In Hollands dageraad,
Geen tesselsc!J& , haar naam door dc ijdle zucht gefmaad
Om met die valfche kroon voor 's warelds oog te pralen,
Die niemand , dan ten hoon der Godsdienst, mag behalen.
Neen, op des Nabuurs grond, fchoot de eerfte wortel uit,
Van 'tal te ras verfpreid en deugdverftikkend kruid.
Verraderlijk gezaaid in Hollands lustprleelen,
Op dal het in den geur zijn giflwalm meê mocht deelen.
Neen, wat ook 'tvoorbeeld wrocht', wat ons het hart verwijt'.