Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 24
Waarop de zonbol draait? Of 't wandlen der planeeten
ïn 't onbereikbaar ruim van ffeeren, nooit volteld ,
De perken langs te zien door de Almacht vastgefteld!
Wat waagt zy, die zoo trotsch haar zielrust af laat hangen
Van 't eindeloos gefchil van Staats- of Kerkbelangen;
Uit boeken ftelfels fchept waarmeê zy zich bedriegt;
Met Heidnen zedenleer haar hart in fluimer wiegt;
Of eindlijk zelfs, beftaat aan 's Wijsgeers zij* te dringen
In 't grondloos diep geheim, dat God den flervelingen
Met ondoorzienbre nacht omhuld heeft! — Gods bewind
Zij duifter; zien wy 'taan met d'eenvoud van een kind;
Met eerbied, toeverzicht, en liefde, en Godbetrouwen,
Dat Kristnen in den ftorm aan U hecht geloof doet houen.
TSeen: H is te veel gewaagd; geen vrouw is toegerust
Met wat er toe behoort, om de ongenaakbre kust
Waar langs zoo menig wijze op klippen fiiet en rotfen ,
Te omkruisfen met een kiel, niet eens het golvenbotfen,
De woede niet, beftand van onweer of orkaan.
Ach, zy verzeilt zich-zelve op de uitgeftrekte baan;
Tïn wie, wie voert haar weêr naar die verlaten ftranden,
Die ze in haar waan begaf voor onbereikbre landen ?
Hoe meer zy voorwaarst ftreeft, te verder dwaalt zy af,
Kn haast ontwaart zy niets dan 't haar omzwalpend graf.
Ja, wat haar troost'moest zijn by 's levens jongfte fnikken
Scherpt d'angel van de fmart In de uilerfte oogenblikken.
Rampzaalge, welk een lot! — Ziet daar, waar de ijdelheid ,
Ziet daar waar zucht naar roem ons, zwakken, toe verleidt?
Reen: houden wy ons-zelv* uit 'sWijsgeers kring verbannen.
Laat, wat dien naam bemint, de krachten famenfpannen
Om de'onl>egrijpbren God te ontwikkelen; 't blijft gewis
Dat Englen 't doorzicht faalt om dees geheimenis
Te ontdekken; en de vrouw. die broze worm der aarde,
Zou de oogen Haan naar 't licht waar nimmer wijze op ftaarde
Dan overtuigd in 'thart van al de nietigheid
Zijns doorzichts! — Neen: geen vrouw , door gloriezucht verleid,
Waagde ooit Geleerdheids fpoor met mannen in te Areven,
Of 'tkostte haar de rust, de vreugd van heel haar leven.'
Wie alles wl! doorzien, en flechts ten halve ziet.
Vervalt In twijfelmoed; en ach! aan haar gebied
Grenst heilloos Ongeloof. Wat gruwel ons doe ijzen,
De vrouw die God verzaakt, is 't voorwerp van afgrijzen.
Hoe waagde 'teerst de vrouw haar hulde in 'topenbaar
Te fchenken aan een deugd- en Godverlochenaar!
Mijn zustren, gy verbleekt? Gy vraagt, kan de aard haar dragen.
Die 't rein geloof aan God haar boezem uit kon jagen ?