Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 23 —
'i Gelei' verachten durft, dat zede en deugd haar biedt;
En, in haar levensloop een fpel van 'Itoeval ziet!
ó Wrange, bittre vrucht van 't alverderf der zeden,
Ons meegedeeld van hun door wien wy zoo veel leden!
Neen planten we u niet voortI Uw zaad veritikk' veeleer,
Zoo kveekt nog eens ons kroost der vaadren deugden weer!
Zoo m')ge onze eenvoud wéér, en 't huislijk heil, herleven!
Mijn zustren, zien wij rond, (wie kan het zonder beven ?)
't Wordt thands als grootsch befchouwd , en 't flrekt ten pronkfic-
(raad,
Dal n' al wat heilig is vertrappelt en verfmaadt;
Men acht het zich tot eer, door fchaamlloos redentwisten
Te Icfiiltren in den rang van gruwzame Ongodisien;
Op Godvcrloochening te roemen, God ten hoon:
Ja, wie dit moedigst doet, geeft liedendaags den toon.
W\ fiddren! Groote God, gy die ons hebt ontflagen
Van 'tfniartlljkst knellend juk, ooit door den flaaf gedragen,
Hergeef dien eenvoud ons die *t hart geen wenfchen laai,
Geene andre zucht gedoogt, dan voegt aan onzen flaat;
Die H huislijk flil geluk mei Gade en huwlijksloten
Den hooglïen zegen fchat, op 't menSchdom uitgegoten;
Herfiel dien eenvoud weer die fchooner fierraad llrekl
Dan goud of paarlentooi die 'toog van dwazen trekll
Geon van de aanloklijkheên die ooit de harten vleidden,
En offers zonder lal op 't kronklig dwaalfpoor leidden,
Vervoert den zwakke meer dan roem en gloriezucht,
Zy, ook van 's vreemden les de duurbeweende vrucht,
Pronkt meê, voor 'l lustgraäg oog met Edens appelkleuren;
Hedwelmi, als deze, 'l brein door meer dan nektargeuren;
Maar Itorl een giftig fap den roeklooze in hel hart
Die, door haar glans verlokt, de wet des Hoogften tart.
En ach, bevrediging!... Is die voor ons verkrijgbaar?
De fleilte van den roem ooit voor een vrouw beftijgbaar?
Neen; 't voegt niet aan haar ftaat, het voegt haar zwakheid niet,
Dat ze in der mannen kring, Geleerdheids rijk doorspied'.
Waag^ waag geen vrouw het ooit, in haar geheimenisfen
Te drmgen: want, helaas! wat zal Haar vergewislen
Dat op dat duilter pad geen afgrond ligt bedekt,
Waarin ons de ijdelheid ons ondanks nedertrekt
Terwijl zy vleit en ftreell? Het oordeel heeft zijn palen;
En, ftaart zich 'loog niet blind op 't licht der zonneflralen?
Wat waagt een zwakke vrouw, met ingebeelden waan
Het voetfpoor der natuur vermetel ga te ilian! —
Op Newtons moeilijk pad den afftand na Ie meten