Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 22 —
En, zinloos, mist by Hpad h'et geen hem t'huiswaartvoert.
Hy dwaalt om 't gapend diep met waggelende fchreden.
En ftort in 'teind, bedwelmd, en redloos, naar beneden.
Wie ziet niet aan de vrucht, wat oord haar heeft geteeld ?
ó Gy, van 's hemels gunst zoo fchittringvol bedeeld,
Gy, eenmaal edel Volk, zoo roemrijk in befchaafdheid,
Dat (Hemel, fints hoe lang!) in weeldes boei verflaafd leidt;
Weleer voor Godsdienst, kunst, en wetenfchap, vol gloed,
Thands voor dat alles koud, en blind van overmoed.
gy, wien ons de dwang den broedernaam deed geven ,
(Geen onzer die U herdenkt dan blozende en met beven!)
Gy, gy ontüoot dien wel waaruit het jammer fproot
Dat de aard heeft overdekt met fchande, bloed, en dood.
6, Moeften wy, voor hoon, met lijdzaamheid gedragen,
Voor 't lleepen van uw juk in nooitgehoorde plagen,
Onze inborst zien befmet (eene inborst, eens zoo rein!)
Door ftelfels van verderf, geftegen in uw brein!
Helaas! gy leerdet ons de vrucht dier ftelfels kennen,
Door menig argloos hart aan zede en plicht te ontwennen,
Te ontfcheuren aan zijn God en al die zaligheid
Die d' invloed van Zijn woord in *s Kristens ziel verfpreidt.
Van daar, dat needrigheid door hoogmoed werd vervangen,
En 'thart, door waan vervoerd, aan ijdlen fchijn blijft hangeu,
Het wichtigfte befchouwt als enkel fpeelvermaak,
En 't oefnen van den plicht als onvolvoerbren laak!
Hoe zien wy eiken kring dien invloed niet bevlekken!
De Oudvaderlijke deugd hield op, onlzach te wekken;
En de ons zoo eigen ernst, zy, waar wy door beitaan,
Week voor lichtzinnigheid en onverdraagbren waan.
ó Wy, ja, wy vooral, zoo licht misleide vrouwen,
Ons voegt het, van dien fmet den boezem vrij te houen.
Ons voegt het, dat te zijn, onwankelbaar en vast,
Dat maagd, en echtgenoot, en teedre moeder past.
ó Hoeden, hoeden wy ons-zelven voor het dwalen
Uit de ons door God bellemde en vastgezette palen!
Voor *t fchenden van dien plicht, waartoe ons de Almacht riep
Wanneer zy uit één vleesch den mensch een weerhelft fchiep.
Ja heerfchen we op ons hart als de eigendom het prikkelt I
Om 'teven, met wal kleed zy zich voor 'toog omwikkelt;
Om H even, met wat naam zy heerfche op ons verfland;
Zv neemt den boezem in, en legt het hart in band,
Dat niet, by 'teerst gevoel van 'tüuipswijs binnenglijden,
Haar allen toegang lloot, niet moedig durft bertrijden.
Ach, 'tpaadtjen is zoo fmal, zoo glibbrig voor den voet,
Waar langs de zwakke vrouw door 't leven wandlen moet!
Wee haar, zoo ze op dat pad, vervoerd door 's dwazen voorbeeld,
Van de ijdelheid verzeld, zich-zelven veilig oordeelt;