Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vrouwenbestemming-
.Vijn hart is niet hoogmoedig, Heer!
Mijn oog zoekt in geen trotsheid eer.
Ik tracht geen roem te halen
Door 7 juist ontleen
Van wonderheên;
Ik zet mijn weetlust palen.
psalm 151,
naar de Luthersche berijming.
Waar fchuill die jammerpoel, die niets dan giflwalm braakt,
Die 'tmenfchelijk verblijf een dal van gruwlen maakt;
Aan H zengend vuur gelijk van Etnaas lavaplasfen
Die 't flruikjen aan zijn voet verkeert in fiuivende asfchen;
Ja niet een kiemend zaadj' in haar bereik gedoogt,
Maar eer het wortel ichiet zijn vruchtbaar lap verdroogt?
In welk een hoek der aard is 't eerst die bron ontsproten ,
Waaruit zich H diep verderf alom heeft uitgegoten
Dat alle deugd verftikt in 't menfchelijk gemoed,
En ftille needrigheid voor hoogmoed wijken doet?
Wat vragen wy? helaas! — Wat zouden wy 'tverbloemen?
Ons doorzicht, dat verftand waar wy zoo hoog op roemen.
Zou dat ons 't fiikziend oog niet oopnen by die bron,
Zoo iemand nog bcftond die haar miskeimen kon!
Of zegt het hart ons niet, wie op zijn ftem wil letten,
Waar de oorfprong fchuilt des gifts, dat alle deugd moet Imetten,
En 't zuiverfie gevoel verfmooren in de ziel
Van wie zich-zèlv* verbergt, hoe diep het menschdom viel? —
Aflchuwelijke trois, geltegcn uit die poelen
Waar eeuwig duifter heerscht met knarfelantend woelen,
Is oorzaak van die straf, die 'lieven flervenspijn ,
En 't vieren van zijn drift des ftervlings vloek doet zijn.
Waar, waar dan zoeken we u, hoe zoeken we u te ontwijken,
Gy giftbron, om wier boord bedriegbre bloemen prijken,
Maar uil wier diepte een walm zich opheft, die het hoofd
Met zuizeling bevangt? — De reiziger belooft
Zich laafnis voor zijn dorst, en koeling bij het branden
Des heelen middaggloeds; hy nadert tot uw randen,
Zwelgt gretig van uw vocht, maar 'tvloeiend bondkristal
Dat, hijgende gezocht, zijn hart verkwikken zal.
Stort vuurvlam in zijn borst, voor ftreelende verkoeling;
De bloedllroom zwelt en bruischt met onbedaarbre woeling;
Een eenige, enkle teug heeft heel zijn brein beroerd,