Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
ma
— 16 —
Wee de onbedachte maagd, die dus bedrogen werd!
Te Iaat zucht ze (en vergeefs door naberouw gemarteld)
Naar H zalig huwlijksheil, zoo roekloos weggedarteld.
Pan zal 'tontwakend oog, verdronken in 'tgeween,
Hem minder zien dan mensch, die eerst een engel fcheen,
Dan ziet zy dien gemaal, verftaald voor 't echtgenoegen,
Voor 'twulpfche feestgenot, maar niet voor haar meer zwoegen.
Dan zweeft diens jongiings beeld haar immer voor 't gezicht,
Die, door haar fmaad verplet, zijne oogen floot voor 't licht.
Dan peinst zy op 'tgeluk, dat die haar had doen Imaken,
En vloekt den valfchen praal die haar de borst deed blaken.
Wat wonder dan, zoo zy, die deugd verried en trouw,
*t Beklaaglijk offer werd van 't follrendst naberouw?
Ach! Zoo de wanhoop, haar ten boezem ingeflopen,
Ten prijs van deugd en eer, dan valfche troost doet koopen ;
Zoo zy de menschlijkheid in haar vergrijp verneèrt;
Zoo zy God-zelv' vergeet, haar gade en zich onteert; —
Dan.... (Ach! zien we op die vrucht van't eerfte plichtverzakcn,
En bidden Gods gena voor 't menschlijk hart te waken!)
Dan.,.. Maar wat ijslijkheèn vertoont my 't hol verfchiet?
Mijn Zangller, gy bezwijkt? ó maal haar jamm'ren niet!
Ween, ween de zachte traan van 't fmeltend mededoogen ,
En iprei, by zulk een val, den üuier voor uwe oogen!
Wiet zelden wordt de rust van 't huwlijkspaar verwoest,
Als zy, wie needrigheid de ziel beheerfchen moest.
Een min begaafd door kundigheên en oordeel,
't Gewicht gevoelen doet van dit zoo nietig voordeel,
En, trotsch door eigenwaan, geen eerbied voor hem voedt ,
Maar, zedigheid ten hoon, zich-zelve hulde doet.
Ach! 't huwlijkshuikjen flreeft langs duizend gruwbre klippen.
En, zalig, die 'tgevaar van Itranden mogt ontglippen!
Die, hoe de zee zich rolle of opbruische om de kiel.
Nooit in het Aormgewoel ten prooi der golven viel I
Ja! heil de teedre Ga, die, hoe de orkaan mocht woeden ,
Haar Egü nooit verliet op de ongeIXuime vloeden ,
Maar, met geftaafden» moed, getrouw aan *s huwlijks plicht,
In d'arm van dien zy mint voor geen gevaren zwicht;
Die, liever in het meir van 's warelds leed wil Ineven,
Dan, als de nood bedreigt, hem trouwloos te begeven I
Ja, 'techtgareel is zacht voor die hel willig draagt!
Ja, zacht voor *t kalm gemoed, dat huislijk heil bejaagt!
Het zij de trots der vrouw, het ftreel' hare eigenliefde,
Dat nimmer plichtverzuim haar weêrhelfts boezem griefde!
Zy wake op t zwakke hart, dat, eer zy H zelfs ontdekt,
Door 't geen haar fchuldloos l'chijnt zijne onfchuld foms bevlekt:
Vaak wordt des ftervlings ziel door tocht op tocht bel'treden,