Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 15 —
In *t harte toegang vtndl. Dan fchept Verbeeldings hand
U rchimmen van verraad , in weerwil van H verlland :
Dan rijst Tififoné uit *s afgronds zwavelpoelen ,
En doet de heetfte vlaoi tot killend ijs verkoelen.
Gy, teedre vrouw, wier ziel zoo vast den Gade omklemt,
Dal, alle fmart ten fpijt, geen fmart uw liefde ftremt,
Die, door zijn ongelijk, de vlam Aeeds meer voelt gloeien,
Door 'l heete tranenvocht niet uitgedoofl in H vloeien,
Gy zijt de rust van *t hart voor immer, immer kwijt.
En wat is Hvuur der Hel by Hgeen uw boezem lijdll
Maar, uwe onheelbre fmart zal nooit uw Egä tergen.
Gy zult uw jammerzucht, uw tranen, hem verbergen j
Hem d'angel van uw wee niet drijven door de borst,
Noch worfllen in den boei dien gy zoo hooploos torscht.
Ik zie u, waar gy 'ikuni, voor menschlijke oogen vluchten;
Dan paart ge in de eenzaamheid uw tranen aan uw zuchten;
By 't nachlllchl fluipt gy heen, waar *t huwlijksfpruiljen rust,
Daar l'torl ge u op hem neer, en , daar gy 'tvurig kust,
Zoekt ge op zijn Hef gelaat dien leedren trek te omwaren,
Die 's Egaäs leêrheid fchetste in blijder huwlijksjaren.
Dit, droeve, is wat u rest, en heel uw troost alleen.
Verkrop den vollen zucht, omfluier uw geween;
Maar 'twee dat gy verfmoort en onbemerkt wilt dragen,
Zal u de levensbron in 'tfmeltend hart verknagen;
En, zalig waart gy nog, zoo Hechts een vroege dood
In 't opgedolven graf uw fmart een uitzicht bood!
Te dikwerf wordt de ziel door fchijnverdlenst bedrogen,
En 't llchtbegoocheld hart door 't uiterlijk bewogen.
Dan ftort zich de ijdle maagd in onafmeetbre eilend.
Wanneer ze een Egä kiest, van wien zy 'thart niet kent.
't Valt menig jongling licht, voor andren uit te blinken;
De glans van zielsverdienfte In 't duifter te doen zinken;
Door praalzucht, losfe fcherst, en trotfchen eigenwaan,
Begaafdheid, kunde, en deugd, naar de eerekroon te flaan;
En, door bevalllgheèn, door zwier, of listig vleien.
Voor de onervaren maagd een heilloos net te fpreien.
'tZegt weinig, met vernuft en opgefmukte taal
Te fchitlren in 't falet, by 't vrolijk vriendenmaal;
Op llchtgewlekten voet de danszaal door te fllngeren;
De onnoozle 't hart te kneên, die omzweeft aan zijn vingeren;
En ras een liefdegloed te ontvonken in die maagd.
Die naauwlijks Gade wordt of d'echtband reeds beklaagt.
Wat doet gy, roekeloozel ö! Kies op feestpartyen
Den jongling nlnmier uil, aan wien ge uw hart moogt wijen.
ö! Geef geen drift gehoor vau 't onervaren hart.