Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 14 —
Zij 't voorbeeld voor de maagd, wier zwakke afhanklljkheid
Die fchuls, die fleun behoell, ïn d'eclil haar loegezeid.
De zedige viool, die Ichiiiert, maar in 'i duiftcr ,
Wier fchoon geen aanfpraak maakt op tulp- of rozenluiller , —
Die, onder 't zacht gewaad van koninkhjk fluweel.
Geen dorenfpureu voert aan haar verhulden fieel, —
Zij 't lieve beeld der bruid, als , van der oudren drempel,
Des bruigoms hand haar voert naar d' open huwUjkstempel.I
Dan, eer gy d'echtknoop fnoert, denk, aangebeden bruid,
Dat liefde *s minnaars oog voor alle feilen fluit.
Zijn lippen mogen u volmaakt, ja Godlijk noemen,
u! Wil uw eigen hart uw zwakheèn niet verbloemen ;
5iel wachten, dat een Gade u fteeds de hulde bied',
Die foms aan 's Bruigoms mond in heete drift ontfchiet.
Maar zoekt gy huislijk heil? Gewis, gy zult het vinden;
Laat zelfverloochening uw echtfnoer immer binden;
Verlies u zelv geheel, in hem, wien gy behoort;
En hoed vooral uw mond voor 't eerst onminlijk woord.
Wat, zoo eens de echtgenoot, die u zijn trouw beloofde,
Door "wuftheid van gemoed zijn liefdegloed verdoofde ?
Rampzalig waart gy dan I ja, boven alle maat!
Dan komt u in die fmart Gods troost alleen te baat.
Dan moogt ge uw ongeluk ilcchts aan dien Vader klagen,
Die nooit zijn kroost bezwaart met meerder dan H kan dragen.
Maar, zoo het mooglijk waar dat iets uw GA bewoog,
Het waar de ftille iraan in 't hem beminnend oog.
Geen ongelluime drift riep ooit de liefde weder.
Hoe fel verongelijkt, de vrouw blijve immer teder I
Dan, 't is te veel geducht; geen Wederhelft verkoelt.
Zoo lang zyn trouwe Gade op plichtvervulling doelt.
Geen hart was ooit zoo wreed, dat liefde zou verftooten ;
Geen boezem hield zich ooit voor 's weêrhelfts Imart geiloten 1
De zoete huwlijksvrede is foms der boozen Imart.
Dan fluipt een Helfche^geest in H argelooze hartl
Ik zag die vloekharpy , ten afgrond uitgevaren ,
Met nijdig gloeiend oog op huislijk echtheil i'taren;
In vriendentrouw vermomd, met afgerichte list,
De- toorts ontvlammen doen van dolle huwlijkstwist.
ó Hoed u voor die üang, trouwhartige echtelingen!
Zy fchuilt in bloemenloof, maar zal uw rust bel'pringen ;
Ze ontfteekt des ijverzuchls affchuwlijk fakkellicht,
En alles koert zich om voor 't opgeklaard gezicht?
Wat zeg ik, opgeklaard? ó Neen: een neevlig duifier
Verfpreidt zich over 't oog, wanneer haar Helsch gcfluifter