Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 13 —
Dat huisfelijk geluk haar dicrfle fchat moet zijnl
Vormt, vormt het kinderhart, hel geen ge als wasch kunt kneden,
Tot zelfverloochening, befcheidenheid, en zeden!
Uw voorbeeld ga het voor met zachte infchiklijkheid!
Nooit worde 'tdoor den waan van eigenmin misleid !
Het leer', reeds van de wieg, en wil en neiging temmen'.
'tLeer*, met der oudren zucht blijmoedig in te ftemmen !
't Hoor' nooit de wreevle Item van drift ol heerlchappy,
Maar 'twete, dat gebtén der mannen voorregt zij!
Geen maagd leerde ooit te vroeg, dal 's Hemels al wijze orden
Haar tot den echt befiemt, om overheerscht te worden.
O, Welk een blijde hoop verzoette me eens 'tbeftaan!
Dan, 'k leerde de ijdelheid van blinden ftervlingswaan.
Mijn uitzicht en die hoop werd in het graf bcüoten.
De dood ontfcheurde my drie lieve maagdenlolen.
'k Zag reeds in de eerfte twee het tederst, buigzaamst hart
Dal ooit voor echlgeluk en liefde vaibaar werd.
Dan ach, waar dwale Ik heen? Wat ween ik? ik, verblinde!
God had mijn telgjcns lief, en meer, dan ik ze minde!
Maar, 'tlcedre moederoog erkenn' Gods Vaderhand,
Toch is het dwaze hart zijn' weedom niet beüand!
'k Haalde adem van den zucht, die ray de borst beknelde;
Ik heb den traan gedroogd, die me uit hel binnenst welde,
Op 't denkbeeld van hun heil en onverftoorbre rust.
En voel mijn boezemwee gelenigd en gefust.
ó Gy, mijn eenige! gy, 't beeld van mijnen Gade!
Die vaak den traan verdreeft, waar in mijn oog zich baadde!
Wat, zoo uw leder hart, uwe eindloos zachle ziel,
Geen toedre lolgenoote in d' echt te beurle viel l
Ik sidder! Dan, O neen, mijn wenschen waar vermetel.
Gy, gy , die 't Al regeert van d'ongezienen zetel,
Hepaalde 'Hot mijns Zoons in uw vrijmachlbren raad;
En, zalig wie die zorg Uw wijsheid overlaal!
Wie in den huwlijksftand genoegens zoekt te ontmoeten ,
Wien hy den wrangen teug des levens zal verzoeten,
Die treè hem juichende in, en zonder hartendwang;
Die waan met, dat zijn boei het menschdom drukke of prang';
Die hope, op roos en mlrih door 't echtprieel te treden;
Maar wachte er 't zoet niet in van 't overzalig Eden 1
Dit past den stervling niet; maar 't heil, daarmee verwant,
Schenkt ons, in 'i wijd heelal, alleen de huwlijksband.
De klimop, die heur rank (ontbloot van eigen krachten)
Den forl'en eik omklemt, en flormen af durft wachten.
a