Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 12 —
Werd hy aan u verknocht door onderwerpings eeden ?
Zal hy geduldig zijn, als hem uw hoogmoed tergt ?
Toon, toon hem d' eerbied eerst, dien God u voor hem vergt,
En hy, hy zal gewis uw deugd naar waarde prijzen,
En voor gerecht ontzag u liefde en dank bewijzen.
Wijt aan u-zelve 't leed waar van gy u beklaagt!
Is 't wonder, zoo uw trots hem van zijn haardi'teê jaagt?
Zoo hy aan andren disch, waar eendracht heerscht en liefde,
Der fmart verpoozing zoekt, waar meê uw fpijt hem griefde?
En, meer nog! om het wee te fmooren van uw i'maad,
In Heind van 't pad der deugd tot gruwlen overllaat?
'k Heb foms het huislijk heil den wortel af zien knagen,
Met droomen van genot en wellust na te jagen.
Wee haar, die om die fchim haar eigen dak verzaakt;
In wier gevoelloos hart Hechts ijdle praalzucht blaakt;
Die, trouwloos aan den plicht van Moeder en van Gade,
De zoetfte levensvreugd aan eigen haard verfmaadde,
En, zwervende in een drom, van de een lot de andre lust,
De liefde in 's Egaas borst met eigen adem bluscht!
Waar leeft hy, die Gemaal, die ooit een weerhelft eerde,
Die orde en plicht vertrapte, en rust in onrust keerde?
Hoe wordt zijn teedre ziel (aan huislijk heil verknocht,)
Verbitterd door 't gemis van 't geen hy vruchtloos zocht!
My dunkt, ik zie hem daar, in de eenzame avond-uren.
De afwezendheid der Gade in bittre fmart verduren.
Hy hoort met fombre ziel zijns dochierljens geween,
Dat om een moeder fchreil (helaas!) als had ze er geen!
Hy ziet het teedre wicht gefust aan vreemden boezem:
« Wat wordt, wat wordt van u, mijn lieve huwlijksbloefem I"
Dus roept hij zuchtende uit, zoo vaak hy *t kind omarmt,
Om wie zich meer een vreemd dan eigen'bloed erbarmt.
Denkt, denkt de toekomst door! — Hoe, moeders , moet gy beven,
Die d'eerfte n plicht vertrapt, door God u voorgefchreven !
Die, voor een fchijngenot, en van zoo kort een duur.
De ftem zoo wreed verzaakt van Godsdienst en Natuur!
Hoe zult ge op waar geluk, op echtheil, aanfpraak voeden ?
Wat troost verzacht u eens des warelds tegenfpoeden ?
Wie fpell u, van wat leed het noodlot zwanger gaat?
Eens , zeker! derft gy 't fchoon van 't jeugdige gelaat;
Eens heeft des warelds lust haar lust voor u verloren:
Dan, nu als aangebeén, zult ge u verachten hooren;
Dan vindt ge in 's Egaas borst, door uw gedrag versteend,
Geen vonk meer van dien gloed , (helaas!) te fpä beweend;
Dan vloekt ge uw zwak te laat, wanneer uw telg helnaarboost.
En 't kind verzaakt haar dan, die 't roekloos heeft verwaarloosd!
Leert, Moeders, leert reeds vroeg aan 't jeugdig maagdelijn,