Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 11 —
Zijl, boven al wal lijdt, beklagenswaard te heeten !
Neen: 'tftille huisgeluk en duurzaam huwlijksheil
Zijn voor geheel den fchat van Perus fchoot niet veil.
De dwaas moog voor het goud met afgodsyver knielen,
Het zal geen ijskil hart met liefdegloed bezielen;
Geen vonkjen van geluk ontfteken in de borst.
Waar Egade of Gemaal gedwongen ketens torscht.
Niet immer vindt gy vreugd in opgefmukte zalen;
Niet immer zoel, den teug uil rijk vergulde fchalen;
Niet immer waart den rust by kusfens van fluweel;
Geen rijkdom fchenkt genot, waarin geen liefde deen
Ach, vraag niet, flerveling, waar 'l echtheil is te vinden!
*t Is meerder vlottend nog dan golf of wervelwinden;
Het wordt door éénen wenk, éên fombren blik, verftoord,
En vliedt loms voor één zucht, één onberaden woord,
'l Behoeft den geesfel niet van wrevele Xantippen;
Ook aan het zachtst gemoed kan 't echtgeluk ontglippen.
Zoo niet de teêrsle min op alles zegeviert,
En zelfs de zwakheid eert, die 's Egaas hart ontfiert.
Onpellbiar Is de bron van *t huisfelijk genoegen ,
Waar ééne zelfde drift, één zucht, de borst doel zwoegen.
Maar doodlijk , als een meir, door 's afgronds damp verdikt,
Is de onvermljdbre wel, waar 't echlheil in verflikt,
VVen Gade, of Echtgenoot, met fieeds verdeelde zinnen,
Des levens zoeligheên Hechts om zich-zelv' beminnen.
En , ach! (of meer genot op aarde mooglijk waar!)
Hun teêrflen boezemwensch niet olTren aan elkadr! —
Ik fchelfie een Egaas fmari, die, vroeg in 't graf gezonken,
De jamm'ren heeft gesmaakt eens echts door 't goud geklonken;
Dan ach, hoe noeme ik al die poelen van verdriet,
Waar in zich H huislijk heil zoo vaak verzwolgen ziet?
Hoe maalt mijn zwakke hand die bronnen van ellende.
Op dal nooit Echieling de voeten derwaarts wende ?
Mijn Zangiter, roep, roep wee op 't heilloos hulsgezin.
Waar de Ega wordt beheerscht door eigen Gemalin ;
Waar de opperheerfchappy, Gemaal en Hoofd gegeven ,
Voor de onbeflaanbre wel van vrouwentrots moet l)even ;
Waar zwakheid weêrftand biedt, en 't hoog bewind niet acht,
Door de Almacht-zelv verleend aan *t mannelijk gelJacht 1
Een koele Sokrates moog zich toegevend loonen ,
Nooit zal er zoete rust by 't wreevllg echtpaar wonen.
Wie vliedt den drempel niet, met 's Hoogften vloek beladn ,
Waar huwlijkseed en plicht zoo roekloos wordt verradn ?
Beklaagt ge u , fiere vrouw, van 's Egaas bitterheden ?