Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 10 —
Geliefde fpeelgenool en leedre hartvriendin,
Zoo naauw met my vereend door meer dan zustermin 1
Thands rijst me uw fchaduw op, van al die fmart omtogen,
Die M onverdroogbren traan deed Itroomen uit uwe oogen.
ó! Wie u zag, als ik. voor 'louter fiddrend staan;
Zoo deugdzaam, zoo bemind, in *s levens bloei vergaan ;
Die vloekte voor gewis de gouddorst, die uw leven
Voor aanzien, rang, en fchat ten offer weg deed geven I
Pauline! uw zachte ziel, voor U lijden niet beftand.
Werd door den druk verplet van zulk een huwlijksband.
My dunkt, ik zie u nog uw kracht en moed verzamelen,
Om voor *tgewijd altaar, het fiddrend ia te ftamelen;
En, ijzend van den eed, uw lippen afgeperst,
üeêrploffen, met ecu zucht, waar 't worstlend hart in berst!
Uw achtbren echtgenoot, den teêrfte der aanbidderen ,
Verbleekend aan uw zij*, van zulk een toeltand fidderen,
En, met voorfpellende angst, een toekomst vol van fmart
Verwachten uit een echt die dus verzegeld werd.
De Twistgodin, gereed haar gruwbre toorts te ontfleken,
Toefde, aan Paulines zij', naar 't eerfte tweedrachtteeken;
Dan, eindloos en vergeefs! Thands was zy echtgenoot.
En nimmer had ze een hart, dat plichten weêrftand bood.
Tïooit gaf ze een zuchtjen lucht, het geen haar Egü griefde.
En 'tzacht erkentlijk hart, gevoelig voor zijn liefde.
Ging, door de grievende angst van 't innigst zelfverwijt.
En levensgloed en kracht in 'teind onredhaar kwyt.
De blijde moederboop trok d* echtband telkens naauwer;
Maar 'teerst zoo fchittrend oog werd immer, immer flaauwer,
En, met den eeriten kreet der teedre huwlijksloot,
Verwisl'elde zy d'echt voor de armen van de dood.
Deklaagbre Vader! gy, wien dorst naar goud verblindde,
Wat hebt ge uw telg ontrukt aan hem, dien ze eenig minde!
Verfchrlklijk was de vrucht van 't geen ge hebt gewrocht!
't Was bloedprijs, anders niet, waar voor gy haar verkocht.
De vloek van een Gemaal, wien ge echtgeluk deedt hopen.
En voor een leeftijd rouw dien zweem van heil deedt koopen,
Vervolgt u zonder rust. Hy klaagt uw wreedheid aan.
En eens zult ge aan zijn zij', voor 's Tlemels oordeel staan!
De ftem van 't hulploos wicht verfcheurt u door zijn kermen,
Als treurde 'torn 't gemis van 's-moeders koesirende armen.
Gy wendt uw bhkken af van zijn onnoozlen lonk,
Als of u 'tgram verwijt in 't oogjen tegenblonk.
Beklaagbaar was 'tlot, dat haar onze arm ontfcheurde!
Beklaagbaar de Echtgenoot, die op haar grafzerk treurde,
Hy, die zich aan haar zijde een hemel had beloofd!
Beklaagbaar 't schuldloos wicht, van moederzorg beroofd!
Maar gy, wien 't zelfverwijt de borst heeft opgereten,