Boekgegevens
Titel: Poëzy
Serie: Klassiek letterkundig panthéon, no. 23
Auteur: Bilderdijk-Schweickhardt, Katharina Wilhelmina
Uitgave: Schiedam: Roelants, 1854
Oorspr. uit. 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 563 F 47
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206139
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Poëzy
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het Hawltjk.
3/y Author and Dispofer, whal thou bidst
Unargued I obey. So God oi-dains;
God ts thx) law, thou mine: to knovj no more
Is tvoman's happiest knowledge and her praife.
milton.
"Wien voert m' in {talige ernst, aanbidlijke Echtgodin,
Voor 'tU gewijd altaar, ten huwlijkstempel in?
Ik zie het jeugdig hoofd omkranst met lentelover ï
Maar 't fchoon gelaat is dof, als zweefde een wolk daar over.
Het kostbaar feestgewaad fpeelt zwierende om de leên;
Maar't oog ftaat overfloersd , en fomber van H geween.
Is dit een blijde bruid, en ftaat haar 'toog zoo duister!
Hoe weinig voegt haar fmart by al dien huwlijksluifler!
Gy-zelv, gy fchudt het hoofd, en wendt uw blikken af,
Als wierd zy heengeÜeurd naar 't onverbidbaar graf.
Ja, dat haar 't graf ontfins, haar lot waar minder gruwlijkl
Wie beeft niet voor den dwang van 't opgedrongen huwlijk ?
Ach! nimmer fmaakt heur hart des levens zoetigheid,
Wie vloekbare eigenbaat naar H outer heen geleidt!
Dan, ach! 't is dus bepaald. Dit lot wordt niet verbeden:
Zo aanvaardt met bloedend liart de huwlijksplechtigheden.
Ik zie hel tempelkoor met koningspracht getooid.
Voor rozen, is 't altaar met parels overftrooid.
De muur-zelf is één gloed van louter goud in 't ronde,
En aan 't gewelffel blinkt de mijnschat van Golkonde.
Dan, ach! geen frisch gebloemte omkranst den koorpylaar;
Geen zoete wierookgeur Itijgt opwaart van *t altaar;
De huwlijkstoorts glimt dof, die Hymen heeft ontftoken.
En 't fakkellicht gaat uit in liartverflikkend rooken.
't Schijnthieraan'tfcheemrend oog, door weidfche pracht vervoerd,
Geen plechtig heiligdom waar de echtknoop wordt gefnoerd;
't Is Plutus, dien men viert met valfche wierookgeuren.
En zie verfmade min dit echtverbond betreuren.
Ik zie de droeve bruid met doodfche fmart in 'toog,
En bleek als 't kil albast waarop haar knie zich boog.
Haar is die vreugde vreemd, die 'tharte doet ontgloren
Wanneer 't zich overgeeft aan hem, dien 't heeft verkoren.
Niets is haar de ijdle pracht! Hoe fier haar bruidftoet prijk',
Zy fchijnt by al die praal een koud, gevoelloos lijk.
Pauline! uw beeld herleeft! gy. die ik 't hoogst waardeerde,
Voor dat ik d' enger band der liefde kennen leerde!