Boekgegevens
Titel: Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Auteur: Krummacher, F.A.; Wolterbeek, J.L.
Uitgave: Amsterdam: Johannes van der Hey, 1814
Opmerking: Vert. van: Bibelkatechismus. - 1810
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 677 K 37
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206135
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: algemeen, Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Catechismussen, Teksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het Nieuw TeiiamenU
V. Wat was zijn oogmerk daarmede? ^
A. Geen ander, dan om de menfchen voor het
rijk van God te winnen, en zoo te behouden en
gelukkig te maken.
V. Hoe verrigtte Jezus zijne wondervolle daden ?
A. Wel in het openbaar en voor elk in het oog
vallend, maar aan de andere zijde (lil en onopge-»
merkt , en zonder te pralen. Zelfs verbood hij
meestal er van te fpfeken, en ontweek de toejuiching
des volks. Ook fchreef hij niet aan zichzelven <
maar aan God alleen er de kracht en eer van toe.
V. Waarin bewees Jezus bovenal zijne nederigheid ?
A. In zijn lijden.
Phil. II: 5—8. — Jezus beval vooral zijnen leerlin-
gen de nederiglieid aan. Matth. XX: 20—28. MarH
X: 35—4-S. Luk. XVIII: 9—14^ Joann. XIII: 3—17»
Hij ftelde hun de kinderen als een voorbeeld van ne-
derigheid voor. Matth. XVlII: 1—4. Daarom hield
Hij ook zoo veel van kinderen. Mark, X: 13—16. —*
Hij prees de nederigheid in anderen. Matth. XVIII:
5—13, XV: 21—28. Hij wiesch zijne leerlingen de
voeten. Joann. XlIIi 1—15. Zachtmoedigheid. Luk,
IX: 51—5Ö. —
44.
Vrage. Hoe komt ons Jezus vooral in de Evan-
gelifche gefchiedenis voor?
Antw. Als de liefde zelve in menfchelijke ge-
daante. Gelijk de liefde het hoofdgebod in zijne
leer was , zoo was zij ook de hoofdtrek in zijn
karakter.
V. Hoe bewees hij die liefde?
A. Door zijne leer, zijne daden, en door zij-
nen dood,
E a V. Hoé