Boekgegevens
Titel: Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Auteur: Krummacher, F.A.; Wolterbeek, J.L.
Uitgave: Amsterdam: Johannes van der Hey, 1814
Opmerking: Vert. van: Bibelkatechismus. - 1810
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 677 K 37
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206135
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: christelijke leer: algemeen, Theologie, godsdienstwetenschappen: godsdienstige opvoeding
Trefwoord: Catechismussen, Teksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Katechismus des Bijbels, dat is: Eene korte en duidelijke onderwijzing aangaande den inhoud der Heilige Schrift: ten gebruike voor de christelijke jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
liet Nïemve Tesiamenf, 57
heid van geest en nederigheid niet flechts aankondiger,
maar ooit voorbeeld van Gods zoon. — De bekee'
ring, die Joannes vorderde, beftaat ook in ootmoed,
namelijk in belijdenis van zonden, en in kracht en
vastheid van geest, namelijk de zegepraal der zonde.
; oannes was ook in zijne lotgevallen het voorbeeld van
[eziis: iiij werd een offer voorde waarheid. ~ De
gefchiedenis van zijnen dood leert ons, hoe de eene
zonde uit de andere ontfpringt, en hoe de mensch'
niets tegen de waarheid vermag; Ilerodes mogt den
prediker der waarheid doen zwijgen, hij kon zijn ge-
veten niet doen zwijgen, dat bleef hem ftraffen. Da
gefchiedenis der verzoeking van Jezus toont ons den
kamp tusfchen het rijk van God, en het rijk des dui-
vels, tusfchen dat d«s lichts en der duisternis. — Zoo
als Adam"in de verzoeking niet ftaande bleef, zoo ver-
fchijnt Jezus als de zegepralende zoon des menfchen.
Jezus de Leer aar,
37-
Vrage. W.iar trad lezus als leeraar op ?
Antw. In zijn vaderland Judea en Gatilea, ook
in Samariü, hetwelk tusfchen bei Jen lag.
V. Welke menfchen leerde hij dan ?
A. Allen, welke naar hem hooren, en zijn on-
derwijs aannemen wilden; maar in de eeiik plaats
zijne Apostelen en leerlingen.
V. Welke waren zijne Apostelen?
A. Het woord Apostel heet een bode gezant:
dezen naam kregen zij naderhand, als zij, na Jezus
hemelvaart, het Evatigelie in zijnen naam verkon-
digden ; voorheen heetten zij leerlingen. Hij koos
er twaalf uit, die zijne vertrouwelingen waren ;
deze, gelijk ook fommige vrome vrouwen, verzel-
den hem overal.
D 5 V. Hsd